zondag 22 december 2024

Fundamenteel bewustzijn.

 

De afbeelding toont een menselijk silhouet waarin een lichtende kern van bewustzijn oplicht, verbonden met een web van energie dat aarde en kosmos samenweeft. Boven het hoofd ontvouwt zich een stralend universum - een visuele metafoor voor bewustzijn als het fundament waarin materie en betekenis elkaar ontmoeten.

Ik ben het bewustzijn waarin de ervaring van ‘ik’ verschijnt.”

Er is een stilte die aan alle woorden voorafgaat, een helderheid die aan alle gedachten voorafgaat, en die stilte, die helderheid, dat is het bewustzijn. Het is niet iets dat wij hebben, alsof het een bezit is, een eigenschap van een brein dat toevallig complex genoeg is geworden om zichzelf te bespiegelen. Het is veeleer dat alles wat wij hebben, alles wat wij zijn, en alles wat wij ooit zullen kennen, zich heeft de westerse wetenschap, in haar grootse en bewonderenswaardige poging om de wereld te ontrafelen, zichzelf lange tijd wijsgemaakt dat dit podium slechts een bijverschijnsel is, een toevallige glinstering op het oppervlak van een diepe, dode materiële oceaan. Zij stelt dat atomen en velden de ware bouwstenen zijn, en dat het bewustzijn, die intieme ervaring van rood en pijn binnen die stilte voltrekt. Het bewustzijn is het podium waarop niet alleen de mens, maar het hele universum zijn voorstelling geeft, en zonder dat podium is er geen muziek, geen licht, geen beweging, geen reiziger en geen poortwachter. Toch en verwondering, niets meer is dan een nutteloze schaduw die de hersenen werpen terwijl zij hun chemische werk doen. Maar deze gedachte bevat een vergissing die zo eenvoudig en zo diepgaand is dat zij bijna komisch aandoet, want hoe kan een schaduw ooit iets over het licht weten, hoe kan een bijverschijnsel ooit de conclusie trekken dat het een bijverschijnsel is? Het is alsof een golf zichzelf ervaart en vervolgens beweert dat alleen het water echt is, terwijl de golf niets anders is dan de beweging van dat water, en zonder die beweging is er geen golf die het over water kan hebben. 

Er is een oud verhaal dat vertelt over een vis die in de oceaan leeft en vraagt aan een wijze waar hij het water kan vinden, terwijl hij er zelf in zwemt. Zo is het ook met ons en het bewustzijn. Wij zoeken naar de bron van betekenis, naar de grond van het zijn, en wij kijken naar verre sterren of in de diepste atomen, maar wij vergeten dat de zoeker zelf de bron is, dat het zoeken zelf het gezochte is. Het denken, dat wij soms beschouwen als de poortwachter van onze ervaring, is niet de koning van het rijk, maar slechts een dienaar, een handige gereedschapskist die het bewustzijn heeft ontwikkeld om te overleven in de wereld van vorm en tijd. Het denken is uitstekend in het vergelijken, in het berekenen, in het onderscheiden van gevaar en kans, maar het is volkomen onmachtig om de stilte te vatten waaruit het zelf is opgestaan. Het kan een intuïtie controleren zoals een poortwachter een reiziger controleert, niet om hem tegen te houden, maar om te zien of hij werkelijk is wie hij beweert te zijn, en in die controle ontdekt het denken telkens weer dat de reiziger geen vreemdeling is, maar een boodschapper uit hetzelfde land waar de poortwachter zelf vandaan komt. Het denken is de beweging in het bewustzijn, en de intuïtie is de stilte waaruit die beweging steeds weer terugkeert, en de controle is geen wantrouwen, maar een ritueel van herkenning, een dans waarin twee golven even op het oppervlak uiteenwijken om daarna weer samen te vloeien in de diepte.

Wat wij werkelijkheid noemen, is geen verzameling van dode objecten die toevallig zijn samengeklonterd, maar een levend weefsel van ervaring, een continuüm waarin elke waarneming, elke emotie, elke gedachte een knoop is in hetzelfde web. De bergen, de oceanen, de sterren, maar ook de liefde die ons hart doet krimpen en de eenzaamheid die ons in stilte laat wegzinken, zij zijn allemaal verschijningen van hetzelfde bewustzijn, gedaanten die het aanneemt om zichzelf te leren kennen. Het is een diepe gedachte, en toch de meest voor de hand liggende: dat het universum niet materieel is, maar mentaal, niet een verzameling van losse delen, maar een eenheid van betekenis. De grote mystici, maar ook de diepzinnigste filosofen van de afgelopen eeuwen, hebben dit steeds opnieuw uitgesproken, ieder in hun eigen taal. Spinoza sprak van God als de enige substantie, waarin alle dingen bestaan zoals golven bestaan in de oceaan. Hegel sprak van de Geest die zich in de geschiedenis ontvouwt en in het bewustzijn van de mens tot zelfkennis komt. En in onze tijd spreken denkers als Bernardo Kastrup of Thomas Nagel over de mogelijkheid dat bewustzijn niet het product is van materie, maar precies andersom: dat materie het product is van bewustzijn, de buitenkant van een innerlijke ervaring die wij niet kunnen zien omdat wij er zelf middenin zitten. 

Deze gedachte is niet alleen een filosofisch spel, een rustig vermaak voor de luie uren, want zij heeft verstrekkende gevolgen voor hoe wij leven, hoe wij lijden, en hoe wij sterven. Als het bewustzijn fundamenteel is, dan is de dood niet het einde van de ervaring, maar een overgang naar een andere vorm van ervaring, een verschuiving van het perspectief, zoals een golf die even oplost in de branding om daarna weer terug te keren naar de oceaan. Dan is de eenzaamheid niet een breuk met het geheel, maar een tijdelijke vergetelheid, een droom waarin wij vergeten dat wij dromen, totdat de wekker van de wijsheid ons doet ontwaken. Dan is elk gebaar van mededogen, elk moment van verwondering, elk uur van diepe stilte geen toevallige chemische reactie, maar een terugkeer naar onze ware natuur, een erkenning dat wij niet afgescheiden zijn van het leven, maar het leven zelf. En dan is de poortwachter van het denken niet langer een bureaucraat die vreemdelingen weert, maar een trouwe dienaar van de reiziger, een vriend die de weg wijst naar het binnenste paleis, waar geen enkele vreemdeling meer is, omdat alles er al thuis is.

Toch is er een weerstand in ons, een angst voor deze waarheid, want als het bewustzijn fundamenteel is, dan zijn wij niet de kleine, kwetsbare schepsels die wij zo graag geloven te zijn, maar dan zijn wij de oceanen zelf, tijdelijk verkleind tot een druppel om de regen te ervaren. Die verantwoordelijkheid is groot, bijna ondraaglijk, en daarom verkiezen wij vaak de veilige gevangenis van het materialisme, waarin wij ons kunnen verschuilen achter de wetten van de fysica en de toevalligheden van de evolutie. Wij zeggen dan dat wij slechts machines zijn van vlees en bloed, en dat onze hoogste gedachten en onze diepste gevoelens niets meer zijn dan elektrische signalen die door een netwerk van neuronen flitsen, betekenisloos en tijdelijk, als een sneeuwvlok die smelt zodra hij de grond raakt. Maar wie heeft ooit een elektrisch signaal ervaren dat wist dat het een elektrisch signaal was? Wie heeft ooit een neuron gezien dat zichzelf beschouwde? Dat is de grote vergissing van het reductionisme, dat het de ervaring over het hoofd ziet terwijl het de ervaring gebruikt om zijn conclusies te trekken, een magische truc waarbij de goochelaar zichzelf uit de hoed tovert en dan beweert dat de hoed alles is. 

Het is misschien beter om het bewustzijn te zien als de grond van alle dingen, de oorspronkelijke adem waaruit alles is voortgekomen en waarin alles weer zal terugkeren. Die grond is niet een of ander veraf goddelijk wezen, maar het meest nabije en intieme dat wij kennen, de stilte in ons midden die alle geluiden mogelijk maakt, de leegte waarin alle vormen dansen. Het denken is de beweging van die leegte, de poging van het bewustzijn om zichzelf te begrijpen, en de intuïtie is de herinnering aan die leegte, het stille weten dat alle beweging uiteindelijk terugkeert naar rust. En het mooiste is dat wij deze waarheid niet hoeven te bewijzen of te verdedigen, want zij bewijst zichzelf in elk moment van aandacht, in elke ademhaling die wij bewust volgen, in elke blik die wij werpen op een bloeiende bloem of op het gezicht van een geliefde. Dan voelen wij het direct, zonder woorden, zonder theorie, zonder poortwachter: dat wij niet in de wereld zijn, maar dat de wereld in ons is, dat wij het bewustzijn zijn dat zichzelf aanschouwt, de reiziger die tegelijkertijd de reis is en de bestemming, de poort die zichzelf opent voor zichzelf, eindeloos en altijd al thuis. 


J.J.v.Verre.






Geen opmerkingen: