donderdag 9 april 2026

Het uitgestelde bestaan.

 

Een zachte, dromerige scène van een uitgestrekte oceaan bij schemerlicht, waarin een enkele golf terugvloeit naar de open zee. de sfeer is verstild en meditatief: een wazige horizon, met een zachte gloed in pastelkleuren, en een gevoel van verdwijnen, dat zeker geen somber moment is, maar een warme, altijd aanwezige ruimte. Het ademt rust, overgave en een bijna spirituele zachtheid. 


Deze beschouwing is opnieuw gewijd aan het gedachtengoed van Alan Watt. Ik heb hierbij gebruik gemaakt van een lezing, gehouden in oktober 1973, vlak voor zijn overlijden. Op YouTube te beluisteren. Titel: Alan Watt's final warning before he died. What he discovered. Philosophical lecture. De stem in deze tekst laat ons achter met een laatste beweging: een terugkeren, een loslaten, een verdwijnen dat geen duisternis blijkt te zijn maar een zachte, altijd aanwezige ruimte. Een ruimte die wachtte, geduldig, zoals de oceaan wacht op de golf die terugkeert naar wat zij altijd al was.


Er komt een moment waarop de zorgvuldig opgebouwde ficties van het leven beginnen af te bladeren, niet omdat je dat wilt, maar omdat de tijd ze één voor één uit je handen trekt. Wat je dan ziet, wanneer de façade eindelijk scheurt, is dat je al die jaren hebt geleefd alsof je een repetitie bijwoonde. Alsof het echte leven later zou beginnen, wanneer je rustiger was, zekerder, meer op je plaats. Maar later blijkt er een horizon te bestaan die zich steeds verder terugtrekt, een belofte die nooit de vorm aanneemt die je ervoor had gereserveerd. En terwijl je wachtte, terwijl je jezelf spaarde voor een toekomst die nooit kwam, ging het leven door, stil en onopvallend, in de kleine momenten die je te achteloos voorbij liet gaan.

Het is een vreemde ontdekking dat de urgentie van het bestaan geen bevel is, geen zweep die je voortdrijft, maar eerder een uitnodiging om te stoppen met rennen. Om even stil te vallen in jezelf, zoals sediment neerdaalt in water dat eindelijk tot rust komt. In die stilstand ontvouwt zich een andere vorm van aandacht, een aanwezigheid die niet gespannen is maar alert, zoals een dier dat een schaduw volgt zonder te bewegen, maar volledig afgestemd op wat er is. In zo'n moment wordt duidelijk dat één uur werkelijk geleefd meer waard is dan tien jaar doorgebracht in halfbewuste haast, als slaapwandelaar die door zijn dagen slentert.

Wij dragen zoveel mee dat niet van ons is, zoals oude overtuigingen, verwachtingen van anderen, de behoefte om te presteren, te voldoen, te bewijzen dat we het waard zijn. Het kost ons een enorme hoeveelheid levenskracht om die constructies overeind te houden, en toch blijven we eraan vasthouden alsof ze ons beschermen. Maar was ze werkelijk doen, is ons weghouden van de enige plek waar het leven zich afspeelt: hier, in dit ademende, onherhaalbare moment.

Er is een zachte waarheid die pas voelbaar wordt wanneer je ophoudt te doen alsof dit moment niet genoeg is. Alsof het slechts een opstap is naar iets beters, iets waardiger, iets dat het echte leven zal markeren. Maar dit moment, precies dit, is het enige dat ooit werkelijk bestaat. Het enige dat ooit werkelijk van jou is. De toekomst waar je jezelf voor bewaart, is gemaakt van dezelfde stof als het heden dat je overslaat. Het is niets anders dan een lange rij van momenten, en wat je met elk van die momenten doet, vormt de hele biologie van je bestaan.

Wanneer je dat beseft, wordt de angst voor sterfelijkheid iets anders. Geen dreiging, niet een straf, maar een leraar die je eraan herinnert dat niets permanent is en dat juist daarom alles kostbaar is. De hap adem die je nu neemt, de warmte van je lichaam, de geluiden om je heen, ze zijn geen achtergrondgeruis, maar het hart van het leven zelf. Ze vragen niet om interpretatie, niet om verbetering, alleen om aanwezigheid. En misschien is dat de eenvoudigste en tegelijk moeilijkste opdracht die een mens kan krijgen, om daadwerkelijk hier te zijn. Niet als toeschouwer van zijn eigen leven, maar als iemand die eindelijk durft te verschijnen in het moment dat al die tijd op hem heeft gewacht. Niet perfect, niet verlicht, niet volledig in balans, maar wakker. Klaar wakker en alert. Onhandig, onzeker, sterfelijk, en toch onmiskenbaar levend. Het leven vraagt niet of je het begrijpt, alleen dat je het in zijn volledigheid ontvangt. Dat je ophoudt te doen alsof dit moment een tussenstation is. Dat je stopt met wachten op een versie van jezelf die nooit zal arriveren. Het idee om het leven te gebruiken om de beste versie van jezelf te ontwikkelen is een geluid dat ik vaak verneem en wel begrijp. Maar het gaat voorbij aan de essentie van het werkelijk in het hier en nu zijn. Want wie voortdurend bezig is zichzelf te verbeteren, leeft in een toekomst die nog niet bestaat, en mist de stille rijkdom van het moment dat zich nu al aandient. De drang om beter te worden kan gemakkelijk veranderen in een subtiele vorm van zelfafwijzing, alsof wie je vandaag bent slechts een voorlopige schets is van iemand die ooit wél mag bestaan. Maar het leven vraagt niet om een verbeterde versie van jou, het vraagt alleen om jouw aanwezigheid, precies zoals je nu bent, voelend, ademend, onvolmaakt, maar volledig levend.

Want uiteindelijk is het niet de dood die ons berooft, maar het uitgestelde leven. De momenten die we kregen en niet bewoonden. De dagen die we doorbrachten in afwezigheid van onszelf. De kansen om te voelen, maar die we doorschoven naar later. En later, zo blijkt altijd, heeft veel minder ruimte dan we dachten. Dus leef nu, in de volle eenvoud van dit ademende ogenblik. Niet omdat het moet, maar omdat dit het enige moment is waarin je werkelijk kunt bestaan.

In de pompkracht van je hart, in de stroom van je adem, in jouw aanwezigheid hier, exact hier, ontvouwt het leven zich al. Het wacht niet. Het heeft nooit gewacht. Het is aan jou om eindelijk te arriveren. En misschien is dat uiteindelijk de enige wijsheid: te beseffen dat je geen golf bent die probeert te blijven bestaan, maar het water zelf dat telkens opnieuw vorm vindt in het moment dat zich aandient. En dat is genoeg.

J.J.v.Verre.




2 opmerkingen:

Matthijs van Leeuwen zei

Een fraai essay Jan Jaap. Mijn vraag aan jou: Op. welk punt in dit essay voelde je zelf het sterkst dat je “arriveerde”, niet als schrijver, maar als mens die even ophield met wachten en werkelijk aanwezig was? Ik stel deze vraag omdat jouw tekst voortdurend cirkelt rond dat ene kantelpunt: het moment waarop het leven niet langer iets is dat straks begint, maar iets dat zich precies nu ontvouwt. Het lijkt me interessant om van je te horen waar dat voelbaar werd tijdens het schrijven.Groeten Matthijs.

J.J. v. Verre zei

Matthijs, wat een prachtige en indringende vraag!! Het moment dat jij beschrijft, waarin ik als schrijver zelf even ophield met wachten en werkelijk arriveerde, lag niet aan het begin of het einde van het schrijven, maar precies daar waar de tekst abrupt schakelt van beeldende beschrijving naar een soort stille roep. Het was bij de zin: "De hap adem die je nu neemt, de warmte van je lichaam, de geluiden om je heen, ze zijn geen achtergrondgeruis, maar het hart van het leven zelf." Terwijl ik dat schreef gebeurde er iets vreemds. Ik voelde mijn eigen adem, echt op een manier alsof ik hem voor het eerst opmerkte. Ik voelde de temperatuur van mijn koude vingers oplopen bij elke aanraking van het toetsenbord. En ik besefte: ik ben dit niet aan het bedenken voor later, ik ben dit nu aan het doen. Tot dat punt was ik nog bezig met uitleggen, met rondcirkelen boven het inzicht. Maar in die ene zin hield het uitleggen op. Er was geen afstand meer tussen het woord "adem " en mijn eigen adem. Geen toekomst meer waarin ik "echt zou leven". Alleen dat tikken op het verwarmende toetsenbord, in die stille keuken. Wat mij het meeste raakte, was dat ik me realiseerde: ik had mezelf tijdens het schrijven ook voor de gek gehouden. Ook ik was bezig met het maken van een mooie prozaïsche tekst, een creatieve vorm van prestatie, van wachten op voldoening. En toen brak er iets open. De tekst hield op om instrument te zijn en werd het moment zelf. Dus als ik eerlijk ben: ik arriveerde niet als schrijver die een punt maakt. Ik arriveerde als iemand die even niet meer hoefde te verbeteren, uit te leggen of te bewijzen. Alleen te zijn. Precies daar.Precies toen. En dat voelde, hoe paradoxaal dat ook klinkt voor een tekst over sterfelijkheid, toch als een soort thuis. Niet eeuwig, niet perfect. Maar onmiskenbaar echt.