maandag 2 februari 2026

De gedachten die ons denken.

 

Een beeld van een innerlijke stilte, waar gedachten niet alleen van ons zijn, maar door ons heen bewegen. In die stille ruimte, voorbij de stroom van woorden, keren wij werkelijk terug naar onszelf. Want vanuit de stilte wordt elk woord geboren, en in die geboorte herkent het woord ons terug.


Denken is misschien wel het meest intieme gerucht in ons bestaan, een fluistering die we voor waar aannemen, omdat ze van binnenuit lijkt te komen. We lopen rond met het gevoel dat we zelf de smid zijn van onze gedachten, dat we ze smeden op het aambeeld van onze wil, terwijl ze in werkelijkheid vaak als vogels uit een onbekende richting neerdalen. Als regen die ons overvalt zonder dat we wolken zagen samenpakken, drup[pels die hun eigen weg zoeken over onze huid, alsof het denken zelf een weerfenomeen is dat zich niet aantrekt van onze plannen. We zeggen wel: Ik denk. Maar als we eerlijk kijken, zien we dat gedachten zich eerder voordoen dan ze worden gemaakt, alsof het brein een open veld is waar de wind vrij spel heeft. En waar elke zucht van lucht een spoor trekt dat we pas herkennen wanneer het al bijna is vervaagd, alsof het denken niet ontstaat uit onze inspanning maar uit een subtiele aanraking van iets dat voorbij ons reikt. In dat veld bewegen gedachten als grassprieten die even oplichten in de zon, buigen onder een bries die geen oorsprong verraadt, en weer fier de rug rechten zonder dat we precies weten wat hen heeft beroerd. Alsof elke gedachte een korte buiging maakt voor een kracht die we niet kunnen benoemen, een ademtocht van het onzichtbare die slecht even door ons heen strijkt voordat hij verder trekt naar onbekende verten.

We geloven graag dat ons denken helder is, een lamp die we zelf aansteken als we iets willen begrijpen. Toch blijkt het licht meestal al te branden voordat we de schakelaar aanraken. Een geur, een herinnering, een schaduw in de hoek van de kamer, en er welt een gedachte op die we niet besteld hebben. We noemen het intuïtie, reflex, automatisme, maar misschien is het eenvoudiger te benoemen als: het denken denkt zichzelf, en wij zijn de getuigen die achteraf proberen te verklaren wat er in ons hoofd gebeurde. Alsof we pas na de donderslag beseffen dat er al lang een donkere wolk boven ons hing, en we met terugwerkende kracht betekenis weven rond een bliksem die zich niets aantrok van onze verklaringen.

Er zit een zachte ironie in hoe we onszelf beschouwen. We bouwen verhalen over onze keuzes, alsof we de architecten zijn van elke bocht in onze levensweg, terwijl veel van die bochten al genomen waren voordat we ze opmerkten. Het bewustzijn loopt achter de feiten aan, een kroniekschrijver die de gebeurtenissen noteert en ze van betekenis voorziet. Zo ontstaat het idee dat wij het zijn die denken, terwijl we in werkelijkheid vooral betekenis geven aan wat al in beweging was.

Toch is er ook een andere laag, een die zich opent wanneer we stilvallen. In die stilte wordt denken een soort stroming, een rivier die niet van ons is maar waar we in drijven. Soms is het water helder, soms troebel, soms is de rivier zo breed dat we de oevers niet zien, alsof we even zijn vergeten dat er ooit grenzen waren. Op zulke momenten lijkt het alsof gedachten niet langer binnen ons hoofd wonen, maar deel uitmaken van een groter veld, een ruimte van ongekende mogelijkheden waarin wij resoneren. Alsof het denken niet een instrument is dat we hanteren, maar een landschap waar we doorheen bewegen.

Misschien is dat wel de kern van de vraag hoe we denken dat we denken, want we leven eigenlijk tussen twee verschillende verhalen. Het ene verhaal zegt dat we de stuurman zijn, het andere vertelt ons dat we worden gedragen door een stroom die ouder is dan wijzelf. En ergens tussen die twee ontstaat een derde mogelijkheid, een poëtische, namelijk dat denken een dans is tussen het persoonlijke en onpersoonlijke, tussen wil en overgave, tussen het kleine ik en de grote beweging waarvan het deel van uitmaakt. In dat licht wordt denken geen mechaniek maar een vorm van luisteren. Een luisteren naar wat zich aandient, naar wat wil worden gedacht. En misschien is dat de meest waarachtige manier om te denken, niet door te sturen, maar door te ontvangen, door te erkennen dat gedachten niet alleen uit ons voortkomen, maar ook door ons heen willen gaan, zoals de wind door een korenveld. En in dat stille gaan en komen van gedachten wordt zichtbaar dat denken niets anders is dan meebewegen met een werkelijkheid die ons al lang tegemoetkomt. Dit is geen verwijzing naar een universeel gedachtengoed, maar naar het idee dat de werkelijkheid zelf een structuur, een ritme, een richting heeft en dat ons denken zich daarop kan afstemmen. Niet omdat die structuur buiten ons ligt, maar omdat wij er zelf deel van zijn. Het denken kan ons daaraan herinneren dat we niet tegenover de werkelijkheid staan, maar midden in haar voortdurende ontvouwing meebewegen.  

J.J.v.Verre.

Geen opmerkingen: