maandag 9 februari 2026

Uniform bewustzijn.

 

Stel je voor dat alle mensen niet langer afzonderlijke eilanden van ervaring zijn, maar één gedeelde binnenruimte vormen. Niet als een leger mieren, maar als een enkel veld waarin elke gedachte, emotie en intentie onmiddellijk voelbaar is voor iedereen.


Stel je een wereld voor waarin het menselijk bewustzijn niet langer verdeeld is over miljarden afzonderlijke breinen, maar zich ontvouwt als één gedeeld veld, een stille onderstroom die ieder mens doordringt. In zo'n wereld zou het leven op aarde een andere kleur krijgen, alsof de werkelijkheid zelf een nieuwe toonhoogte vindt. De mens zou niet langer spreken vanuit een geïsoleerd ik, maar vanuit een wij dat niet collectief is in de politieke of sociale zin, maar in de meest intieme zin van ervaring. Gedachten zouden niet meer gevangen zitten in de schedel, maar vrij bewegen als vogels in een gezamenlijke atmosfeer. Wat wij nu kennen als misverstand, conflict of verborgen agenda zou oplossen nog voordat het kon ontstaan, omdat elke intentie onmiddellijk voelbaar is. De mensen zouden elkaar niet langer hoeven uitleggen wat zij bedoelen, want betekenis zou direct worden gedeeld, zoals licht dat zonder moeite een kamer vult, en elke vorm zacht in zijn vorm kust, tot zelfs de schaduw zich gezien weet. Het dagelijks leven zou een zachte stroom worden waarin handelen voortkomt uit een vanzelfsprekende afstemming. Je zou niet meer plannen, maar voelen wat nodig is, zoals een zwerm vogels die zonder leider toch in een perfecte formatie beweegt. Werk zou niet langer een individuele taak zijn, maar een beweging van het geheel, alsof de mensheid één lichaam is dat zijn eigen ritme volgt. Kunst zou veranderen van persoonlijke expressie in een soort resonantie van het gedeelde veld. Een schilderij, een gedicht, een melodie zou niet langer toebehoren aan één maker, één creator, maar ontstaat als een trilling die door velen tegelijk wordt gevoeld en vorm krijgt in de handen van degene die op dat moment het meest ontvankelijk is. Creatie wordt dan geen daad van een ego, maar een echo van het collectieve bewustzijn.

Toch zou zo'n wereld niet alleen maar licht en harmonie kennen. In de volledige transparantie van een uniform bewustzijn schuilt ook een paradox. Want als alles gedeeld wordt, wat blijft er dan over van het mysterie dat de mens voortdrijft? Waar blijft de spanning tussen weten en niet-weten, die zo vaak de bron is van groei, verlangen en verbeelding? Misschien zou de mensheid in zo'n toestand verlangen naar een vleugje afzondering, een kleine schaduw waarin iets kan rijpen dat nog niet gedeeld hoeft te worden. Creativiteit floreert immers vaak in de ruimte tussen mensen, in het verschil, in het totaal onverwachte. Een uniform bewustzijn zou die verschillen verzwakken, misschien zelfs uitvlakken, en daarmee ook een deel van de menselijke zoektocht.

Wat zou er met de liefde kunnen gebeuren? In een wereld van uniform bewustzijn zou liefde zeker niet verdwijnen, maar ze zou wel een andere gedaante aannemen. De vraag die zich voordoet is eigenlijk: kan iets nog persoonlijk zijn wanneer alles gedeeld wordt? En juist daar ontstaat een subtiel, bijna heilig spanningsveld. Want liefde zoals wij die nu kennen, bestaat bij de gratie van twee afzonderlijke binnenwerelden die elkaar naderen. Het is de vonk die overspringt tussen twee vormen van bewustzijn, die elkaar niet volledig kunnen doorgronden. In een uniform bewustzijn valt die ondoorgrondelijkheid grotendeels weg. Je voelt de ander zoals je jezelf voelt. Je kent de ander zoals je jezelf kent. De scheidslijn die liefde zo intens maakt, wort dunner. Maar dat betekent niet dat liefde haar persoonlijk karakter verliest. Ze verandert wel van vorm. In plaats van een exclusieve beweging tussen twee mensen, wordt liefde een soort verfijnde resonantie binnen het gedeelde veld. Twee mensen kunnen nog steeds dichter bij elkaar trillen dan bij anderen, zoals twee snaren op dezelfde harp die elkaar sterker laten klinken. Het persoonlijke zit dan niet meer in geheimen, verschillen of afzonderlijke innerlijke werelden, maar in de unieke manier waarop twee menselijke entiteiten binnen hetzelfde bewustzijn elkaar raken. Het persoonlijke karakter verschuift dus van afgescheidenheid naar afstemming. Het zou dan niet meer klinken als: "dit is mijn liefde voor jou " , maar: " dit is de unieke golf die ontstaat wanneer jij en ik elkaar raken binnen hetzelfde veld ".

Misschien wordt liefde dan minder stormachtig, maar beslist niet minder diep. Misschien wat minder exclusief, maar zeker niet minder intiem. Waarschijnlijk minder gebaseerd op verlangen naar wat ontbreekt, en meer op het herkennen van een specifieke trilling die alleen tussen deze twee gestalten van het bewustzijn kan ontstaan. In die zin blijft liefde persoonlijk, maar wel op een andere manier dan we nu kennen. Liefde kan ook nooit als een bezit worden gezien, maar enkel als een unieke vorm van resonantie vanuit een gedeelde binnenruimte. Liefde is geen ontmoeting meer tussen twee afzonderlijke zielen, maar een herkenning van iets dat altijd al verbonden was. De intensiteit van verliefdheid, die nu voortkomt uit het plotseling doorbreken van een grens, zou veranderen in stille vanzelfsprekendheid. Misschien minder stormachtig, maar ook minder kwetsbaar. Dood en geboorte zouden hun scherpe randen verliezen, want beide zouden worden herkend als dezelfde beweging van het bewustzijn dat zichzelf opnieuw vorm geeft. De dood zou niet langer worden ervaren als een verdwijnen, maar als een verschuiving binnen hetzelfde veld. Geboorte zou geen komst van een nieuw bewustzijn zijn, maar een nieuwe vorm waarin het gedeelde bewustzijn zich uitdrukt.

In een wereld met een uniform bewustzijn zou vijandigheid niet verdwijnen, maar ze zou haar aard volledig veranderen. Vijandigheid zoals wij die nu kennen, vaak voortkomend uit misverstand, angst, projectie, gekwetstheid of het gevoel afgescheiden te zijn, zou nauwelijks nog kunnen ontstaan. Want wanneer je de ander van binnenuit voelt, wordt het bijna onmogelijk om hem te demoniseren of te reduceren tot een bedreiging. Je kunt dan eigenlijk niemand haten zonder jezelf te haten, je kunt geen ander raken zonder dat dezelfde beweging in je eigen veld weerklinkt. Toch betekent dat niet dat er nooit frictie zou zijn. Zelfs in een gedeeld bewustzijn kunnen verschillende vormen, ritmes of impulsen binnen het geheel botsen. Maar die botsing zou niet meer de vorm aannemen van vijandigheid. Het zou eerder lijken op hoe twee golven elkaar ontmoeten: soms versterken ze elkaar, soms doven ze elkaar uit, maar blijven momenten in dezelfde onbegrensde stroom van bewustzijn. De spanning die ontstaat is dan geen agressie, maar een tijdelijke disharmonie die het geheel uitnodigt om zich opnieuw af te stemmen.

In zo'n wereld zou het conflict dus niet verdwijnen, maar het zou zijn scherpe randen verliezen. Het zou meer lijken op een innerlijke correctie van het collectieve lichaam. Waar wij nu vijandigheid ervaren als een breuk, zou het daar een signaal zijn dat iets in het veld uit balans is en om aandacht vraagt. De reactie zou geen aanval zijn, maar een beweging naar herstel. Misschien is dat wel de grootste verschuiving: vijandigheid verandert van een persoonlijke emotie in een collectieve sensatie, een rimpeling die door iedereen wordt gevoeld en die niemand de schuld geeft. En omdat niemand zich afgescheiden voelt, is er geen behoefte meer om te verdedigen, te domineren of kapot te maken. Wat dan overblijft is een tedere weerstand, geen hindernis maar een aanwijzing van de richting die de stroom vanzelf zoekt. 

In een wereld met universeel bewustzijn zou honger waarschijnlijk niet voortkomen uit onverschilligheid of hebzucht, maar uit collectieve disharmonie, en dus direct worden gevoeld, erkend en waarschijnlijk snel worden verholpen. Wel kunnen klimatologische omstandigheden tijdelijk schaarste veroorzaken, maar zelfs die zouden als een collectieve verstoring worden ervaren en gezamenlijk worden hersteld. Het idee van gedeeld innerlijk veld impliceert dat het lijden van één wezen niet losstaat van het geheel. Wanneer het innerlijk veld gedeeld is, wordt het lijden van één wezen niet alleen waargenomen, maar ook doorvoeld door allen. Niet als een echo van de pijn, maar als een directe trilling in het gezamenlijke bewustzijn. Het is alsof het hele veld een membraan is, en elke pijn een rimpeling die zich onmiddellijk verspreid. In zo'n bijzondere wereld is lijden geen privézaak meer, geen verborgen wond achter beslagen ramen, maar een gedeelde roep om afstemming, heling en aandacht. Dit betekent dat compassie niet louter een morele keuze is, maar een spontane respons van het geheel. Zoals een lichaam instinctief reageert op een snee in de huid, zo zou het gedeelde bewustzijn reageren op elke vorm van pijn, uitsluiting of honger. Er ontstaat geen oordeel, geen afstand, geen analyse, doch alleen een beweging naar herstel, gedragen door het besef dat het geheel slechts gezond is wanneer elk deel in harmonie verkeert. Het impliceert ook dat verantwoordelijkheid verschuift. Het klinkt dan niet langer als:  "ik ben verantwoordelijk voor mijn daden", maar : "wij zijn verantwoordelijk voor elke trilling in het veld". Schuld wordt dan vervangen door zorg, straf door afstemming. Het lijden van een ander is niet iets dat je kunt negeren, want het is jouw lijden, weliswaar niet figuurlijk, maar letterlijk, dus voelbaar in het gedeelde binnenste. En misschien is dat wel de diepste implicatie, dat in een wereld van universeel bewustzijn, het lijden zijn isolement verliest. Het wordt opgenomen in een veld dat niet oordeelt, maar draagt. Niet om het weg te duwen, maar om het te transformeren. Zoals licht dat zonder inspanning een ruimte vult, en elke vorm in zijn straling verlicht, zo zou het bewustzijn zich kunnen uitstrekken naar elke pijn, elke breuk en naar elke roep om heling.

In de mensheid bestaan verschillen in intelligentie, maar die verschillen zijn minder eenvoudig en minder hiërarchisch dan we vaak denken. Intelligentie is geen enkelvoudige kracht die in één getal kan worden gevangen, maar die een veelheid aan vermogens bevat, welke zich op uiteenlopende manieren kunnen uitdrukken. Waar de één uitblinkt in logisch redeneren, toont een ander een fijnzinnige gevoeligheid voor talen, een derde is gezegend met een scherp ruimtelijk inzicht en een vierde heeft een talent om emoties en relaties intuïtief te begrijpen. Deze variatie ontstaat uit een samenspel van aanleg, omgeving, ervaring en verlangen, en geen mens draagt dezelfde combinatie van factoren in zich. Het idee dat intelligentie vaststaat, is een misvatting, want het brein blijft zich vormen onder invloed van wat het meemaakt, oefent en liefheeft. Zelfs wat wij meten, zoals IQ, raakt slechts een smalle strook van het brede spectrum dat menselijke intelligentie werkelijk omvat. Creativiteit, empathie, wijsheid, praktische handigheid en moreel inzicht ontsnappen aan zulke metingen, maar bepalen minstens evenzeer hoe iemand zich beweegt in de wereld.

Wanneer we dit alles bezien vanuit het perspectief van een gedeeld of universeel bewustzijn, verschuift het beeld nog verder. Dan wordt intelligentie niet langer een eigenschap van het individu, maar een unieke manier waarop het geheel zich door een mens uitdrukt. Elk mens draagt dan een ander facet van hetzelfde licht, niet meer of minder, maar anders. De verschillen worden geen rangorde, maar een weefsel van complementariteit. In plaats van te vragen wie intelligenter is, wordt de vraag meer omgebogen in de richting van: hoe de verschillende vormen van intelligentie elkaar kunnen aanvullen en verrijken. Op die manier ontstaat een mensbeeld waarin variatie geen scheiding veroorzaakt, maar een bron van samenhang wordt, en waarin intelligentie niet langer een maatstaf is, maar een uitnodiging om te zien hoe veelzijdig het universele bewustzijn zich kan tonen.

In zo'n wereld zou de mensheid misschien dichter komen bij wat oude mystieke tradities al eeuwenlang beschrijven, namelijk eenheid als oertoestand, afgescheidenheid als tijdelijke illusie. Tijdelijk omdat afgescheidenheid slechts verschijnt zolang bewustzijn zich vernauwt tot één gezichtspunt, en oplost zodra het zich herinnert dat het altijd al één was. Maar juist omdat de mens nu leeft in die illusie van afzondering, kan hij verlangen, zoeken, creëren en groeien. Misschien is het uniform bewustzijn geen eindpunt, maar een horizon die ons uitnodigt om steeds meer verbinding te zoeken zonder de rijkdom van het individuele perspectief te verliezen. Een richting waarin we bewegen, maar die we nooit volledig hoeven te bereiken, omdat juist de spanning tussen eenheid en verschil, de mens tot mens maakt. Zo zou het leven op aarde eruit kunnen zien: als een dans tussen het gedeelde en het unieke, tussen het grote veld en de afzonderlijke stem, tussen de stilte van eenheid en de veelkleurigheid van de individuele menselijke ervaring. Mogelijk is het precies die dans die ons voortstuwt, generatie na generatie, in een steeds verfijndere zoektocht naar wie wij zijn, samen en alleen. 


J.J.v.Verre.

maandag 2 februari 2026

De gedachten die ons denken.

 

Een beeld van een innerlijke stilte, waar gedachten niet alleen van ons zijn, maar door ons heen bewegen. In die stille ruimte, voorbij de stroom van woorden, keren wij werkelijk terug naar onszelf. Want vanuit de stilte wordt elk woord geboren, en in die geboorte herkent het woord ons terug.


Denken is misschien wel het meest intieme gerucht in ons bestaan, een fluistering die we voor waar aannemen, omdat ze van binnenuit lijkt te komen. We lopen rond met het gevoel dat we zelf de smid zijn van onze gedachten, dat we ze smeden op het aambeeld van onze wil, terwijl ze in werkelijkheid vaak als vogels uit een onbekende richting neerdalen. Als regen die ons overvalt zonder dat we wolken zagen samenpakken, drup[pels die hun eigen weg zoeken over onze huid, alsof het denken zelf een weerfenomeen is dat zich niet aantrekt van onze plannen. We zeggen wel: Ik denk. Maar als we eerlijk kijken, zien we dat gedachten zich eerder voordoen dan ze worden gemaakt, alsof het brein een open veld is waar de wind vrij spel heeft. En waar elke zucht van lucht een spoor trekt dat we pas herkennen wanneer het al bijna is vervaagd, alsof het denken niet ontstaat uit onze inspanning maar uit een subtiele aanraking van iets dat voorbij ons reikt. In dat veld bewegen gedachten als grassprieten die even oplichten in de zon, buigen onder een bries die geen oorsprong verraadt, en weer fier de rug rechten zonder dat we precies weten wat hen heeft beroerd. Alsof elke gedachte een korte buiging maakt voor een kracht die we niet kunnen benoemen, een ademtocht van het onzichtbare die slecht even door ons heen strijkt voordat hij verder trekt naar onbekende verten.

We geloven graag dat ons denken helder is, een lamp die we zelf aansteken als we iets willen begrijpen. Toch blijkt het licht meestal al te branden voordat we de schakelaar aanraken. Een geur, een herinnering, een schaduw in de hoek van de kamer, en er welt een gedachte op die we niet besteld hebben. We noemen het intuïtie, reflex, automatisme, maar misschien is het eenvoudiger te benoemen als: het denken denkt zichzelf, en wij zijn de getuigen die achteraf proberen te verklaren wat er in ons hoofd gebeurde. Alsof we pas na de donderslag beseffen dat er al lang een donkere wolk boven ons hing, en we met terugwerkende kracht betekenis weven rond een bliksem die zich niets aantrok van onze verklaringen.

Er zit een zachte ironie in hoe we onszelf beschouwen. We bouwen verhalen over onze keuzes, alsof we de architecten zijn van elke bocht in onze levensweg, terwijl veel van die bochten al genomen waren voordat we ze opmerkten. Het bewustzijn loopt achter de feiten aan, een kroniekschrijver die de gebeurtenissen noteert en ze van betekenis voorziet. Zo ontstaat het idee dat wij het zijn die denken, terwijl we in werkelijkheid vooral betekenis geven aan wat al in beweging was.

Toch is er ook een andere laag, een die zich opent wanneer we stilvallen. In die stilte wordt denken een soort stroming, een rivier die niet van ons is maar waar we in drijven. Soms is het water helder, soms troebel, soms is de rivier zo breed dat we de oevers niet zien, alsof we even zijn vergeten dat er ooit grenzen waren. Op zulke momenten lijkt het alsof gedachten niet langer binnen ons hoofd wonen, maar deel uitmaken van een groter veld, een ruimte van ongekende mogelijkheden waarin wij resoneren. Alsof het denken niet een instrument is dat we hanteren, maar een landschap waar we doorheen bewegen.

Misschien is dat wel de kern van de vraag hoe we denken dat we denken, want we leven eigenlijk tussen twee verschillende verhalen. Het ene verhaal zegt dat we de stuurman zijn, het andere vertelt ons dat we worden gedragen door een stroom die ouder is dan wijzelf. En ergens tussen die twee ontstaat een derde mogelijkheid, een poëtische, namelijk dat denken een dans is tussen het persoonlijke en onpersoonlijke, tussen wil en overgave, tussen het kleine ik en de grote beweging waarvan het deel van uitmaakt. In dat licht wordt denken geen mechaniek maar een vorm van luisteren. Een luisteren naar wat zich aandient, naar wat wil worden gedacht. En misschien is dat de meest waarachtige manier om te denken, niet door te sturen, maar door te ontvangen, door te erkennen dat gedachten niet alleen uit ons voortkomen, maar ook door ons heen willen gaan, zoals de wind door een korenveld. En in dat stille gaan en komen van gedachten wordt zichtbaar dat denken niets anders is dan meebewegen met een werkelijkheid die ons al lang tegemoetkomt. Dit is geen verwijzing naar een universeel gedachtengoed, maar naar het idee dat de werkelijkheid zelf een structuur, een ritme, een richting heeft en dat ons denken zich daarop kan afstemmen. Niet omdat die structuur buiten ons ligt, maar omdat wij er zelf deel van zijn. Het denken kan ons daaraan herinneren dat we niet tegenover de werkelijkheid staan, maar midden in haar voortdurende ontvouwing meebewegen.  

J.J.v.Verre.

zaterdag 31 januari 2026

Alles in niets, deel II. Het Tegenlicht.

 

    Hier volgt het tegenlicht van mijn vorige beschouwing.


                                                              Het Tegenlicht.


Misschien is het waar dat ruimte oplost wanneer we niet bewegen, dat tijd verdampt wanneer we haar tot op het bot ontleden, en dat het hele universum zich ontvouwt in een punt zonder omvang. Maar misschien is dat niet het hele verhaal. Misschien is het slechts één manier om te kijken, een perspectief dat helder wordt wanneer we de wereld terugbrengen tot de binnenkant van ervaring. Want wat we zien wanneer we stilvallen, is niet noodzakelijk wat de wereld is, maar wat zij voor ons wordt wanneer onze beweging stopt. Het kan zijn dat ruimte niet verdwijnt, maar dat onze toegang ertoe tijdelijk wordt opgeschort. Dat de wereld niet oplost, maar dat onze waarneming zich vernauwt tot een vlak zonder differentiatie. Misschien is het niet de ruimte die verdwijnt, maar onze mogelijkheid om haar te ervaren. En misschien is dat onderscheid belangrijker dan het op het eerste gezicht lijkt. Want als ruimte slechts een constructie is, waarom blijft ze dan zo hardnekkig terugkeren zodra we weer bewegen, zodra we weer handelen, zodra we weer leven?

En wat de tijd betreft, het is overtuigend om te zeggen dat verleden en toekomst slechts verschijningen in het heden zijn. Maar misschien is dat een gevolg van hoe bewustzijn werkt, niet van hoe de werkelijkheid is. Misschien is het geheugen geen bewijs dat het verleden niet bestaat, maar slechts een manier waarop het verleden zich aan ons toont. Misschien is verwachting geen bewijs dat de toekomst niet bestaat, maar slechts de manier waarop de toekomst zich aankondigt. Het zou kunnen dat tijd niet oplost in het nu, maar dat het nu slechts het enige venster is waardoor wij tijd kunnen zien.

Misschien is het punt zonder omvang geen fundament van de werkelijkheid, maar een grens van onze waarneming. Een grens die nergens ligt omdat wij haar nergens kunnen vinden, niet omdat zij nergens is. Misschien is het niets waarin alles verschijnt geen kosmische grond, maar een menselijke beperking. Een stilte die niet spreekt over het universum, maar over de manier waarop wij betekenis construeren wanneer alle andere structuren wegvallen. En zelfs als alles wat we ervaren geen fysieke uitbreiding heeft, betekent dat dan dat het niets is? Misschien is het precies andersom, en dat het innerlijke, het mentale, het bewuste, een eigen soort realiteit heeft die niet afhankelijk is van ruimte of tijd, maar die daarom niet minder werkelijk is. Misschien is het niets waarin alles verschijnt geen leegte, maar een andere vorm van zijn, niet fysiek, maar ook niet afwezig. Een domein dat niet kapot kan omdat het geen materie betreft, maar dat daarom niet noodzakelijkerwijs de grond van alles hoeft te zijn.

En wat als de oerknal geen voortdurende cognitieve explosie is, maar een gebeurtenis die werkelijk plaatsvond, onafhankelijk van onze ervaring? Wat als het universum niet in ons verschijnt, maar wij in het universum? Wat als bewustzijn niet de bron is, maar een later komende gast, of als een bloem die groeit uit een bodem die haar niet nodig had om te bestaan? Misschien is het vertrouwen dat voortkomt uit het inzicht dat alles verschijnt in iets onkwetsbaar, wellicht niet het diepste vertrouwen, maar slechts één soort vertrouwen. Een vertrouwen dat rust op ontbinding, op het wegvallen van vormen, op het wegvallen van grenzen. Maar er bestaat ook een ander vertrouwen, namelijk het vertrouwen dat de wereld werkelijk is, dat zij buiten ons bestaat, dat zij standhoudt ook wanneer wij haar niet zien. Een vertrouwen dat niet rust op leegte, maar op aanwezigheid. Niet op niets, maar op iets.

En misschien ligt het begin van het gesprek precies in de spanning tussen vertrouwen in het niets en vertrouwen in het iets. Want misschien hoeven we niet te kiezen. Misschien is de werkelijkheid groot genoeg om beide stemmen te dragen. De stem die zegt dat alles oplost in het nu, en de stem die zegt dat het nu slechts één laag is van een veel grotere werkelijkheid.

Misschien is de waarheid niet te vinden in het oplossen van de wereld, maar in het gesprek tussen wat oplost en wat blijft. Tussen wat verschijnt en wat draagt. Tussen het niets dat onkwetsbaar is en het iets dat kwetsbaar blijft, maar daarom zo intens werkelijk. Misschien, en wellicht mogelijk, ligt de werkelijke helderheid niet in het ene of het andere, maar in het vermogen om beide te zien zonder dat één van de twee hoeft te verdwijnen. En mogelijk is het juist in dat tegenlicht dat we leren zien dat elke zekerheid slechts een contour is, en dat de werkelijkheid zelf altijd net iets verder reikt dan onze begrippen kunnen volgen. In dat licht blijft er enkel een teder besef over, dat niet vraagt om woorden en toch blijft liggen als licht dat nergens vandaan komt. Misschien is dat wel genoeg, een laatste glimp van iets dat blijft, juist omdat het niets nodig heeft om te zijn.


J.J.v.Verre.

vrijdag 23 januari 2026

Alles in niets

 

Alles in niets ontvouwt zich in drie woorden. Alles wat wij ervaren, zoals ruimte, tijd, herinnering, verwachting en het gehele universum verschijnt in een veld dat zelf geen omvang heeft.


Deze beschouwing is geïnspireerd op de YouTube video uitzending Q&A met Bernardo Kastrup. Gedachten experiment: Er gebeurt nooit iets. 11-1-2026. https://www.withrealityinmind.com


Wanneer je volledig stilzit, wanneer geen enkel deel van je lichaam beweegt en je blik rust op een onveranderlijk veld, begint iets op te lossen dat we gewoonlijk als vanzelfsprekend beschouwen. Ruimte verliest haar greep. Zonder beweging is er geen afstand, zonder afstand geen uitbreiding, en zonder uitbreiding geen ruimte die zich tussen dingen uitstrekt. Wat overblijft zijn slechts kleurvlekken, pixels, een vlak zonder binnen en zonder buiten. En wanneer zelfs dat vlak egaal wordt, wanneer je staart in een volledig wit veld zonder enige differentiatie, verdwijnt de laatste illusie van ruimtelijkheid. Er is niets meer om van te zeggen dat het hier of daar is, niets om te vergelijken, niets dat zich uitstrekt. Ruimte blijkt niet iets te zijn dat buiten ons bestaat, maar een structuur die ontstaat door verandering, door beweging, door verschil. Maar als de ruimte oplost, blijft de tijd nog overeind, althans in eerste instantie. Toch blijkt ook tijd, wanneer je haar aandachtig volgt, geen zelfstandig domein te zijn. Het verleden is nooit iets anders geweest dan een herinnering die nu wordt ervaren. Je kunt het verleden niet betreden, niet aanraken, niet terughalen. Het verschijnt altijd als een huidige beleving. De toekomst is evenzeer een verwachting die uitsluitend in het heden wordt ervaren. Alles wat je verleden noemt, is een herinnering die nu verschijnt. Alles wat je toekomst noemt, is een verwachting die nu verschijnt. En wanneer je dit inzicht steeds verder verfijnt, van jaren naar dagen, van dagen naar minuten, van minuten naar seconden, en van seconden naar fracties van seconden, ontdek je dat er geen grens is waar het heden ophoudt en iets anders begint. Het huidige moment laat zich eindeloos opdelen, maar nooit lokaliseren. Het is een punt zonder omvang, een grens die nergens ligt, een aanwezigheid die geen duur kent. Daaruit volgt een onthutsende conclusie, die luidt: Alles wat bestaat, bestaat in niets. De hele structuur van je leven, zoals je herinneringen, je angsten, je verwachtingen, je verhalen, dit alles neemt geen ruimte in en geen tijd. Het is een cognitieve configuratie, een innerlijke projectie die geen fysieke uitbreiding heeft. Het universum dat je ervaart, inclusief jouw persoonlijke geschiedenis, ontvouwt zich in een punt dat geen plaats heeft en geen duur. Bestaan is een verschijning zonder omvang, een fenomeen dat uit niets oprijst en in niets rust.

Bernardo Kastrup noemt dit geen mystiek inzicht, maar een eenvoudig feit dat voor iedereen toegankelijk is, zelfs midden in een rumoerig restaurant, met een glas wijn in de hand. Het vraagt geen meditatie, geen verlichting, geen goeroe en zeker geen uitgebreide kennis omtrent spiritueel filosofische literatuur. Het vraagt alleen de bereidheid om te kijken naar wat altijd al voor je ligt. Zodra je het ziet, kun je het niet meer ontzien. Het laat een spoor achter in je innerlijke leven, een verschuiving welke niet meer is terug te draaien. Wat het moeilijk maakt, zegt Kastrup, is niet de subtiliteit van het inzicht, maar de culturele laag die ons voortdurend wegleidt van onze directe ervaring. Cultuur bouwt een wereld van concepten, verwachtingen en verhalen, terwijl de werkelijkheid zelf veel simpeler en veel directer is.

Wanneer je de consequenties van je eigen aannames volgt, wanneer je ze tot het uiterste doordenkt, stort het bouwwerk vanzelfsprekendheden in. Wat overblijft is een verbazingwekkende helderheid, namelijk dat de schepping niet iets is dat ooit plaats vond, maar iets dat nu gebeurt. De oerknal is geen gebeurtenis in een ver verleden, maar een voortdurende cognitieve explosie die in dit moment plaatsvindt. Er is nooit iets gebeurd, en er zal nooit iets gebeuren, behalve dit ene verschijnen dat zich steeds opnieuw ontvouwt. Iets en niets blijken geen tegenpolen te zijn, maar twee woorden voor hetzelfde. Het universum, het leven, de geschiedenis, de tijd, het zijn geen objectieve structuren, maar verschijningen in een veld dat zelf geen omvang heeft. En dat veld ben jij. Niet als persoon, niet als verhaal, maar als het open bewustzijn waarin alles verschijnt. Wanneer je dat ziet, niet als theorie maar als directe ervaring, verandert er iets in je verhouding tot de wereld. Je beseft dat je al dood bent, al geboren bent, al verdwenen bent, al verschenen bent, en dat al die bewegingen slechts schaduwen zijn in een ruimte die geen ruimte is, in een tijd die geen tijd is. Het is geen romantisch inzicht, geen troostend beeld, maar een rauwe, heldere eenvoud. En toch, juist in die eenvoud schuilt een onverwachte zachtheid, namelijk dat alles wat je vreest, alles wat je nastreeft, alles wat je denkt te verliezen of te winnen, geen gewicht heeft buiten het moment waarin het verschijnt. Alles bestaat in niets, en dat niets is niet leeg, maar open, dragend en onkwetsbaar. Het niets, waarin alles verschijnt, bewustzijn, het nu, de ruimte zonder uitbreiding, kan niet kapotgaan,  kan niet beschadigd worden, kan niet lijden. En mogelijk, als dit besef indaalt, dat er diep in je bewustzijn iets begint te resoneren, misschien wel de verwondering. In dat nauwelijks hoorbare natrillen leek er iets in mij te blijven rusten, alsof het even nergens anders hoefde te zijn. Nu is zelfs dat gevoel vervaagd, alsof het zich zonder haast terugtrok in een stilte die niets meer vroeg. Ergens daarachter bleef een schraapsel van stilte nog heel even nagonzen, alsof het zich niet meteen herinnerde dat het mocht verdwijnen. Misschien schenkt dit ons wel het diepste vertrouwen, niet dat alles goed komt, maar dat alles verschijnt in iets dat nooit kapot kan gaan.


J.J.v.Verre.


woensdag 14 januari 2026

Het krachtenspel tussen willen en kunnen.

 

Het spanningsveld van verlangen als het filosofisch dilemma tussen willen en kunnen. Op deze symbolische afbeelding staat een eenzame figuur op een kruispunt. Het pad splitst zich, maar loopt tegelijk samen naar een berg in de verte. De wegwijzer willen is verbonden met verlangen en idealen. De wegwijzer kunnen is verbonden met begrenzing en realiteit. In de lucht zweven twee symbolische objecten, een kompas en een gebroken ketting. Het kompas verwijst naar de vraag waar je naar toe wilt, zelfs als de weg nog onzeker is. De gebroken ketting verbeeldt begrenzing en bevrijding tegelijk. Kettingen staan meestal voor beperkingen, maar de gebroken ketting suggereert dat die beperkingen niet absoluut zijn, dat het kunnen rekbaar is of misschien pas wordt bevrijd als het willen sterk genoeg wordt.

Het krachtenspel tussen willen en kunnen.

Tussen kunnen en willen ligt een stille spanning, als een ademteug welke hapert tussen in- en uitademing. De mens beweegt zich voortdurend in dat tussengebied, waar mogelijkheden zich aandienen maar verlangens niet altijd volgen, of waar het verlangen brandt terwijl de weg onbegaanbaar lijkt. Daar in dat niemandsland, ontstaat de vraag die zowel moreel als existentieel is, namelijk wie zijn wij om verantwoordelijk te zijn, wanneer onze wil verder reikt dan onze macht, of onze macht verder dan onze wil?
Kunnen lijkt op het eerste gezicht een harde grens. Het is het terrein van feiten, van omstandigheden, van het fysieke lichaam, de psyche en de plek op de wereld waar je wieg stond. Men kan niet spreken zonder taal, handelen zonder middelen of vliegen zonder vleugels, hoewel die vergelijking tegenwoordig mank gaat. Kunnen is meetbaar, observeerbaar, vaak door anderen vast te stellen. Het biedt een geruststelling, want waar het kunnen ophoudt, lijkt ook de eis te vervloeien of misschien wel te transformeren van vorm. Toch is dat kunnen zelden zo eenduidig als het zich voordoet. Het verschuift, afhankelijk van tijd, moed, ondersteuning en interpretatie. Wat vandaag onmogelijk lijkt, kan morgen binnen ons bereik vallen en wat gisteren vanzelfsprekend was, kan vandaag te zwaar blijken.
Willen daarentegen is een innerlijk landschap, minder zichtbaar, maar wordt des te dwingender ervaren. Het is gevormd door verlangens en angsten, door overtuigingen die langzaam zijn ingesleten of plotseling zijn opgekomen. Willen draagt iets absoluuts in zich, want het voelt als van mij, als datgene wat mij in beweging zet of juist verlamt. Ondanks dat is ook het willen niet vrij van grenzen. Want wie kan zeggen waar een verlangen begint en een gewoonte eindigt, waar een keuze werkelijk gekozen is en niet al lang voorbereid is door verleden en context.
Het dilemma openbaart zich wanneer willen en kunnen niet samenvallen. Wie zegt te willen maar niet te kunnen, vraagt om begrip, om ontslag van verantwoordelijkheid. Wie zegt te kunnen maar niet te willen, roept irritatie of moreel oordeel op. Maar in beide gevallen schuilt dezelfde onzekerheid, als je je afvraagt in hoeverre dat onderscheid wel zuiver is. Misschien is niet kunnen soms een vorm van niet durven en niet willen een verhulde erkenning van onvermogen. De taal zelf lijkt ons hier te verraden, alsof zij probeert orde te scheppen waar de werkelijkheid dubbelzinnig is. Filosofisch gezien raakt deze spanning aan de vraag naar vrijheid. Als wij slechts kunnen willen wat onze omstandigheden toelaten, dan is het willen niet vrij. Maar als wij altijd anders hadden kunnen willen, zelfs onder druk, dan wordt het kunnen ondergeschikt aan een bijna onmenselijke eis van innerlijke autonomie. Tussen deze uitersten beweegt het menselijk bestaan. Niet als een zuivere wil, noch als een louter mechanisme, maar als een breekbare poging tot afstemming.
Misschien ligt de waarheid niet in de keuze tussen kunnen en willen, maar in hun voortdurende dialoog. Het willen rekt het kunnen op, daagt het uit en overschrijdt soms zijn vermeende grenzen. Het kunnen tempert het willen, aardt het en herinnert het aan eindigheid. Morele verantwoordelijkheid ontstaat dan niet uit absolute vrijheid, maar uit aandacht. De aandacht voor wat werkelijk mogelijk is, en voor de morele oproep die, binnen de grenzen, blijft klinken.
Zo bezien is het dilemma geen probleem dat opgelost moet worden, maar een conditie die men aanvaardt. Mens-zijn is leven met die spanning, telkens opnieuw aftasten waar het kunnen ophoudt en het willen begint, in het besef dat beide nooit volledig zullen samenvallen. In die dissonantie schuilt geen falen, maar de kern van ons mens-zijn. Zo blijven wij, onvoltooide stemmen, oneindig bezig met het componeren van ons eigen bestaan. En in die compositie, die hapering tussen willen en kunnen, klinkt de enige partituur welke ons werkelijk toebehoort. En dat belichamen ervan, die ene, telkens hernomen ademtocht, is onze voltooide onvoltooidheid.

J.J.v.Verre.

zaterdag 10 januari 2026

De Tijd als mentale illusie.

Een afbeelding waarin de mens onder een sterrenhemel staat en een lichtgevend tijdwiel boven hem zweeft. De figuur staat niet in de tijd, maar in een stilte waarin tijd zich toont als geometrie, een ademende structuur van licht, orde en verwachting. De tijd die niet stroomt. Tijd is een ritme van verandering, de groei van wanorde, de grens van ons begrip.

Deze beschouwing is gebaseerd op de lezingen en colleges van Richard Feynman (1918-1988). The Feynman Lectures on Physics, Volume1. What time actually is? Vertaald in prozaïsch filosofisch proza.


Jij denkt misschien dat je weet wat tijd is, omdat je een klok kunt lezen of omdat je voelt hoe jouw lichaam langzaam verandert. Maar wat je tijd noemt, is slechts een echo van jouw eigen zenuwstelsel, een zachte illusie die jouw hersenen weven om orde te scheppen in een wereld die veel vreemder is dan je ooit vermoedde. Wij mensen houden ervan om te zeggen dat tijd stroomt, dat zij een rivier is die ons meeneemt van het verleden naar de toekomst. Maar een rivier die alleen haar eigen beweging meet, blijft betekenisloos. Het is een metafoor die zichzelf leegmaakt. De werkelijkheid is mechanisch, kouder, maar ook wonderlijker, want tijd stroomt niet. Tijd duwt niet. Tijd sleept je niet mee. Tijd is slechts de manier waarop gebeurtenissen naast elkaar worden gelegd, zoals kaarten op een tafel liggen. De tafel beweegt niet, alleen jouw blik glijdt eroverheen.

In je hoofd tikt geen kosmische klok, maar een chaotische vertaalmachine. Sommige mensen tellen door een innerlijke stem te horen, anderen zien een meetlat die klikt als een kosmisch tandwiel. Deze verschillen verraden dat onze ervaring van tijd geen eigenschap van het universum is, maar een truc van het brein. Wat wij voelen als het verstrijken van tijd is slechts een patroon dat onze hersenen herkennen, een ritme dat we zelf maken om niet te verdwalen in de stroom van indrukken.

De natuurkunde kent geen “nu” zoals wij dat kennen. Zij vraagt niet wat tijd is, maar hoe we haar meten. En zodra we meten, ontdekken we dat tijd buigt, rekt en vertraagt. Wie stilstaat, beweegt maximaal door de tijd. Wie reist, wie versnelt, wie de ruimte in duikt, offert tijd op aan ruimte. Een foton kent geen voor en na, want het leeft in een eeuwig stilstaand moment. Voor licht bestaat geen tijd.

Waarom voelt de toekomst dan anders dan het verleden? Niet omdat tijd een richting heeft, maar omdat wanorde groeit. Een ei kan op talloze manieren breken, maar slechts op één manier heel zijn. De kosmos kiest altijd de weg van de vele mogelijkheden. Jij voelt tijd omdat je een detector van wanorde bent. Je herkent de richting waarin de kaarten van het universum worden geschud. De pijl van de tijd is geen pijl, maar een statistische voorkeur.

En toch blijven we vasthouden aan het idee van een universeel “nu”, alsof er ergens een kosmische klok tikt die alles ordent. Maar het universum is geen toneel met een gezamenlijke tijd. Het is een vierdimensionale broodvorm, een blok van gebeurtenissen. Verleden, heden en toekomst bestaan naast elkaar als frames op een filmrol. Jouw bewustzijn is slechts het licht van de projector dat eroverheen glijdt, waardoor het lijkt alsof het verhaal zich ontvouwt.

Als tijd slechts een ordening is binnen het universum, dan is vragen wat er vóór de tijd lag alsof je vraagt wat er noordelijker ligt dan de Noordpool. Het universum begon niet in de tijd; het bracht tijd voort zoals een vonk licht voortbrengt. Wij verlangen naar een verhaal dat begint met “er was eens”, maar het universum werkt niet in verhalen. Het werkt in toestanden, in velden, in structuren die misschien geen begin kennen zoals wij dat bedoelen.

Wanneer we met elkaar spreken over tijd, denken we dat we hetzelfde bedoelen, maar ieder van ons draagt een ander innerlijk beeld. Een stem. Een meetlat. Een klok. Een gevoel. We zijn vertalers van een werkelijkheid die groter is dan onze taal. We proberen de kosmos te begrijpen met gereedschap dat is ontstaan om bessen te plukken en tijgers te ontwijken. En toch schuilt juist in dat tekort onze schoonheid. Want ondanks onze beperkte hersenen, ondanks onze intuïties die zo vaak misleiden, slagen we erin om iets te begrijpen van dit vreemde universum waarin tijd geen rivier is maar een structuur, geen stroom maar een ordening, geen kracht maar een spiegel.

Wanneer je naar een klok kijkt, zie je niet de tijd, maar een instrument dat je geruststelt. De echte tijd is wild, ongetemd, een dier dat stilvalt bij zwarte gaten en versnelt in de leegte tussen sterren. En als dit je verwart, als je voelt dat je innerlijke meetlat kraakt, dan is dat goed. Verwarring is de poort naar inzicht. Het is het moment waarop de oude beelden breken en er ruimte ontstaat voor een nieuw soort zien, een zien dat niet telt, maar begrijpt. En misschien is dat de ware aard van tijd, dus geen stroom die ons meeneemt, maar een stille uitnodiging om wakker te worden in het wonder dat wij zelf bewegen door een universum dat al lang op ons wacht.


J.J.v.Verre.

zaterdag 3 januari 2026

De Zwarte Madonna.

 

De Zwarte Madonna van Montserrat, een romaans beeld uit de 12e eeuw. Het heiligdom bevindt zich in het klooster van Montserrat op de gelijknamige berg in Catalonië. Ze verbeeldt de Madonna met het kind op haar schoot. In haar rechter hand houdt ze een bol vast die het universum symboliseert. Het kind heeft zijn rechter hand opgeheven met een gebaar van zegening en houdt in zijn linker hand een dennenappel vast, teken van vruchtbaarheid en eeuwig leven. Het beeld is 95 cm. hoog en behoudens het hoofd en de handen, volledig vervaardigd uit goud. Het oorspronkelijke beeld zou al honderden jaren ouder zijn geweest en door herdersjongens in een grot zijn gevonden. Volgens de devotionele traditie wordt het oudere beeld niet als verdwenen beschouwd, maar als opgegaan in de resonantie van het huidige. Zoals een vroegere toon die blijft trillen in de latere klank. Wie haar eenmaal ontmoet, weet dat het niet zij is die verschijnt, maar wij die eindelijk open genoeg zijn om haar te herkennen.


Zij staat in het halfduister van Gods huis, waar het licht aarzelend binnenvalt en schaduwen hun geheimtaal spreken. De zwarte Madonna. Niet zwart als ontkenning van licht, maar zwart als zijn oorsprong. Zoals aarde zwart is wanneer zij leven belooft, zoals de nacht zwart is wanneer zij sterren draagt.

Men heeft haar willen verklaren als geblakerd door de rook van kaarsen, ouderdom van een speciale houtsoort of donkere kleur door gebruik van foutief pigment. Maar zulke verklaringen zeggen meer over onze onrust dan over haar stilte. Want de zwarte Madonna vraagt niet om opgelost te worden. Zij vraagt om benaderd te worden, langzaam, zoals men een waarheid benaderd die niet wil worden vastgepakt. In haar donker gelaat ligt geen afwezigheid, maar diepte. Zij is geen spiegel waarin men zichzelf herkent, maar een poort waardoor men zichzelf verliest. Haar ogen lijken te weten dat elk begin uit duisternis voortkomt, zoals het kind in de schoot, het zaad in de aarde, de gedachte vóór zij woord wordt. Zij herinnert ons eraan dat licht niet het tegendeel van donker is, maar zijn antwoord.

Het kind dat zij draagt is even raadselachtig. Geen triomfantelijke zonnekoning, maar een kwetsbare belofte. Alsof zij zegt dat het heilige niet verschijnt waar alles helder is, maar in de schemering waarin een mens zijn haast laat vallen. Het komt niet wanneer wij roepen, maar wanneer wij luisteren. Het heilige is een stilte die zichzelf onthult wanneer de mens ophoudt zichzelf te vullen, een pauze in de gewoonte om alles zelf te willen bepalen. Haar moederschap is geen bezit, maar toevertrouwen. Zij draagt het mysterie zonder het te willen beheersen.

Misschien is zij zwart omdat zij ouder is dan onze categorieën. Haar zwartheid is geen categorie, geen iets, maar eerder een "niets ", een leegte, een duisternis die alle mogelijke vormen en betekenissen in zich draagt, nog ongedifferentieerd. Zij is de donkere spiegel waarin wij onze eigen archetypen en vooroordelen tegenkomen en waarin die, idealiter, oplossen. Zij is ouder dan wit en zwart, ouder dan dogma en verklaring. In haar resoneren stemmen van vergeten godinnen, van aarde en maan, van oeroude overleveringen uit bronnen waar men ooit water schepte met eerbiedige handen. Zij behoort tot de ongevormde potentie voor de manifestatie. Het christendom heeft haar niet uitgevonden, maar herkend en haar een naam gegeven, niet om haar te bezitten, maar om haar te kunnen aanspreken zonder te vergeten dat zij altijd buiten onze woorden blijft. Een naam is een deur, geen kamer. Hij opent, doch sluit nooit op. Hij is de echo die blijft galmen, lang nadat de stem is uitgezongen en waar het woord tot steen is verstart. Maar zij blijft stromen als een onderaardse rivier, die in zijn zwarte water de eeuwigheid vorm geeft.

Pelgrims knielen voor haar, niet omdat zij antwoorden geeft, maar omdat zij vragen verdraagt. Zij ontvangt de gebroken hoop, het onuitgesproken verlangen of de schaamte welke geen woorden vindt. Zij veroordeelt niet. In haar donker is plaats. Zij is de stilte die blijft wanneer het gebed verstomt. Als aanwezigheid zonder vorm, als een adem die niet van ons is, als een ruimte die ons draagt nog vóór wij haar kunnen benoemen. Wanneer de mens zwijgt, blijft zij spreken in een taal die geen geluid nodig heeft. De zwarte Madonna leert ons dat het heilige niet altijd licht werpt, maar soms schaduw schenkt, een schaduw waarin men kan rusten. Dat wijsheid niet schreeuwt, maar wacht. En wie haar aankijkt, uiteindelijk niet haar ziet, maar zichzelf. Nog zoekend, onvoltooid en gedragen door iets wat groter is dan enkel begrip. Een ruimte die ons kent, nog vóór wij haar kunnen kennen.

Zo staat zij daar, door de eeuwen heen, onverplaatst. Niet om ons te leiden naar zekerheid, maar naar dieper zien. En wie haar eenmaal daadwerkelijk heeft ontmoet, weet dat herkenning geen bewijs nodig heeft, omdat iets in hem of haar wordt geraakt dat ouder is dan zijn woorden. Want wat hem daar tegenkomt, is geen gedachte maar een oorsprong, een stille zekerheid die niet uit kennis ontspruit maar uit herkenning. Herkenning dat oorsprong geen verleden is, maar een aanwezigheid die je tegemoetkomt. Op dat soort van speciale momenten van onverwacht ontmoeten, besef je dat het wezenlijke niet ontstaat, maar onthuld wordt. Als een opgetrokken sluier van gekoesterd verlangen dat liefde in zich draagt. En in dat zachte onthullen wordt voelbaar dat liefde zich niet toont door te verschijnen, maar door ons te openen voor wat wij nooit helemaal kunnen bevatten.


J.J.v.Verre.