Een man staat aan de rand van een mistige plas in de vroege ochtend, omgeven door ruïnes en een oude boom. Een vogel vliegt naar het licht, dat door de nevel heen breekt. Naast hem liggen een open boek en een kompas op een steen, als stille getuigen van de zoektocht naar betekenis tussen wat is en wat wordt.
Ontspringt betekenis aan wat al bestaat, of scheppen wij de werkelijkheid door haar betekenis te geven?
Betekenis verschijnt zelden als een bliksemschicht. Maar staat op als ochtendmist, alsof de aarde even uitademt en haar adem over het landschap legt. Ze zweeft tussen licht en vorm, een sluier die het licht nog even tegenhoudt, die alles aanraakt zonder iets vast te houden, alsof de wereld heel even twijfelt of ze gezien wil worden. Zo beweegt ze tussen wereld en mens, tussen wat al bestaat en wat wij er aan toevoegen. Misschien is dat wel haar ware aard: een ontmoeting die ogenschijnlijk vanzelf ontstaat, maar in stilte door twee handen wordt gemaakt.
Er is een kant van de werkelijkheid die ons voorafgaat, een stille orde die niet om onze aanwezigheid vraagt. De steen ligt in het gras, wind jaagt door de bomen, en de tijd glijdt voorbij zonder zich om onze verlangens te bekommeren. In die wereld lijkt betekenis iets dat wij slechts hoeven op te rapen, zoals een schelp die al eeuwen wacht op degene die haar uit het zand plukt. Het bestaande draagt een eigen zwaarte, een eigen contour, een eigen onverschillige schoonheid. Wij buigen ons eroverheen en noemen dat begrijpen.
Maar evenzeer geldt het omgekeerde: dat de wereld pas werkelijk tot leven komt wanneer wij haar benoemen. Dat een landschap zonder blik geen landschap is, maar slechts materie. Dat een gebeurtenis pas geschiedenis wordt wanneer iemand haar vertelt. Dat liefde pas liefde wordt wanneer zij in een ander oplicht, en dat verlies pas verlies wordt wanneer het een naam krijgt. In die zin scheppen wij de werkelijkheid niet uit het niets, maar door de manier waarop wij haar aanraken. Onze woorden zijn geen versiering van het bestaan, maar een tweede huid die het voelbaar maakt. En soms is het juist die huid die ons laat voelen dat we zelf ook deel uitmaken van dat bestaan.
Tussen die twee bewegingen, het gegeven en het gemaakte, ligt een dunne, trillende ruimte. Daar ontstaat betekenis als een soort wederkerigheid. De wereld reikt ons iets aan, wij reiken haar tegemoet, en in dat gebaar ontstaat een werkelijkheid die geen van beiden alleen had kunnen voortbrengen. Het is alsof het bestaan fluistert, wij antwoorden, en ons antwoord wordt deel van die fluistering. Zo wordt de werkelijkheid niet alleen gevonden en niet alleen geschapen, maar voortdurend opnieuw geboren in de wisselwerking tussen wat is en wat wij ervan maken. De wereld fluistert: zie mij zoals ik ben. En wij antwoorden: ik zie je zoals ik kan. En in die wisselwerking ontstaat de werkelijkheid. Misschien is betekenis uiteindelijk niets anders dan het moment waarop het bestaande en het scheppende elkaar herkennen.
J.J.v.Verre.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten