Er is een stilte die niet het gemis van geluid is, maar het gemis van een wereld die nog naar ons vraagt. Wij, bewoners van een tijdperk van overvloedige afwezigheid, staan aan de overkant van de noodzaak en weten niet meer wat we met onze handen moeten doen. Ooit, toen de akker nog moest worden omgeploegd en het vuur gevoed, lag er een eenvoudige waarheid in de beweging van het lichaam: we waren nodig, en in die noodzaak schuilde een geruststellende vorm van zin. Nu draaien de raderen van de wereld grotendeels zonder onze tussenkomst. Algoritmes fluisteren ons toe wat we willen voordat we het zelf hebben bedacht, machines nemen steeds meer van onze arbeid over, en wij blijven achter als een overbodige echo in een kamer die al vol weerklank is. Het is deze eigenaardige verveling - niet de lichte verveling van een regenachtige zondagmiddag, maar de diepe, grommende verveling van een wezen dat zijn functie lijkt te hebben verloren - die ik zou willen benoemen als een van de stille filosofische problemen van onze tijd. De traditie heeft ons geleerd de mens te begrijpen als een wezen dat handelt, dat zijn bestaan mede vormgeeft door wat het doet: van Aristoteles’ streven naar geluk tot Marx’ belofte van bevrijde arbeid, en zelfs bij Sartre, voor wie vrijheid een voortdurend project is dat in de moeizame werkplaats van het bestaan wordt gesmeed. Maar wat gebeurt er wanneer de werkplaats sluit? Wat wanneer vrijheid niet langer als een opdracht verschijnt, maar als een leegte die ons zwijgend aanstaart?
In die leegte ontwaart het bewustzijn iets wat het nauwelijks kan bevatten: een tijd die niet langer de tijd van het nut is, maar van het loutere verstrijken, een stroom die geen bedding meer lijkt te hebben. De seconde tikt niet langer in dienst van de volgende seconde, de dag niet in dienst van de oogst, het jaar niet in dienst van de generatie die na ons komt. Het is een tijd die niets meer hoeft te bewijzen, en juist daarin schuilt haar verschrikking én haar genade. Want nu pas, in deze ledigheid, kan de vraag opwellen die door de eeuwen heen steeds werd overstemd door het lawaai van de overleving: wat betekent het eigenlijk om te zijn - niet om te doen, niet om te worden, maar om louter te bestaan, als een steen die in het gras ligt en de regen voelt zonder er iets mee te hoeven? De Grieken kenden het begrip scholè: een vrijgemaakte tijd waarin men zich kon onttrekken aan de noodzakelijkheid van arbeid en zich kon wijden aan studie, gesprek en beschouwing. Maar hun beschouwing had nog een plaats in een wereld waarin zij zelf als een hogere menselijke activiteit gold, als een weg naar waarheid en inzicht. Bij ons is de beschouwing daarentegen besmet geraakt met een rusteloosheid die ons vrijwel onmiddellijk naar het scherm doet grijpen, naar het nieuws, naar de eindeloze stroom van beelden die de leegte moeten dempen als een digitaal kussen. Wij zijn misschien de eersten die niet meer weten hoe we moeten verblijven in wat monniken en kluizenaars ooit juist zochten: een stilte die geen antwoord geeft en waarin, voor een ogenblik, zelfs de behoefte aan een antwoord verdwijnt.
En toch, wanneer ik mij overgeef aan die ongemakkelijke ledigheid - aan een toestand waarin ik noch de tijd wil doden, noch haar wil redden - bespeur ik een vreemde rijkdom in de armoede. Verveling is dan niet zozeer het ontbreken van betekenis, maar de ontmanteling van de valse betekenissen die wij om ons heen hebben gebouwd, als beschutting tegen de wind van het zijn. In die ontmanteling verschijnt iets wat nauwelijks nog esthetiek genoemd kan worden: een zuivere zintuiglijkheid. Het licht dat langzaam over een muur kruipt, het geluid van een kraan die druppelt zonder dat iemand luistert, de geur van stof die danst in een zonnestraal. Het zijn geen prikkels meer en geen afleidingen, maar gebeurtenissen in het zijn die juist doordat ze nergens toe dienen, voor het eerst werkelijk gezien worden. De Japanse filosoof Nishida Kitarō sprak over een ‘plaats van het niets’, waarin het zelf niet langer het middelpunt van de ervaring is, maar een opening waardoor de wereld zich kan tonen. Misschien is dat wat verveling ons schenkt: geen oplossing, maar een deur die op een kier staat naar een andere wijze van bestaan. Een bestaan waarin wij niet langer de regisseur zijn, maar zelfs het verlangen om toeschouwer te zijn loslaten, totdat er slechts een oog overblijft dat kijkt zonder herinnering en een oor dat luistert zonder verwachting.
Toch is er een weemoed die niet wijkt, een melancholie die zich in de plooien van die ledigheid nestelt, want vroeg of laat dringt de vraag zich op: als wij niet langer nodig zijn, zijn wij dan nog wel? Het is de echo van een oude angst, afkomstig uit een tijd waarin de stam ons nodig had om te jagen en de stad om te bouwen. Nu zijn wij steeds minder nodig voor de machine, voor de markt, voor een vooruitgang die zichzelf lijkt voort te stuwen zonder menselijke tussenkomst. En juist in die overbodigheid, in die werkloze koningspositie, ontvouwt zich misschien de mogelijkheid van een nieuwe ethiek: een ethiek die niet langer vraagt wat wij moeten doen, maar hoe wij kunnen zijn zonder onszelf te verliezen in het niets. Het antwoord ligt wellicht niet in een groots gebaar, maar in een kleine omarming van de dagelijkse tijd: in het leren verdragen van het uur dat geen naam heeft, in het toelaten van een gedachte die nergens heen hoeft. Want de mens is niet alleen het dier dat handelt, maar ook het dier dat wacht. En in dat wachten, in die bijna biddeloze toestand, kan hij een waardigheid hervinden die niets met productie van doen heeft. Verveling is dan niet langer de vijand, maar de bodem waarin de wortels van een nieuw zelfbewustzijn kunnen groeien - langzaam, zonder opschik, zoals een boom groeit die niet weet dat hij ooit deel zal zijn van een bos.
Misschien moeten wij de moed vinden om de verveling te omarmen als een vriend die ons niets te bieden heeft, en juist daarin haar grootste gave ontdekken. Want wat is er filosofischer dan het ogenblik waarop alle vragen even verstommen en alleen de aanwezigheid van het zijn overblijft - een aanwezigheid die niet om interpretatie vraagt, maar om een zachte, aandachtige bewoning? Het is een taak die geen einde kent en juist daardoor eindeloos troostend kan zijn. In de stilte van het overbodig zijn horen wij misschien voor het eerst de muziek van de tijd zoals zij werkelijk klinkt: een melodie zonder refrein, die ons voert langs de velden van ons eigen bestaan, waar geen oogst meer wordt verlangd, maar waar het gras eenvoudig groeit. Daar mogen wij liggen, zonder doel, zonder naam, zonder de dwang om iets anders te zijn dan wat wij zijn, hier en nu, in dit ene onherhaalbare ogenblik dat geen enkele klok ooit zal kunnen vatten. Misschien is dat uiteindelijk wat de verveling ons leert: dat het leven niet pas betekenis krijgt wanneer wij er iets van maken, maar dat het soms genoeg is om er, heel even, niet aan voorbij te leven. En misschien begint daar, waar niets meer van ons wordt gevraagd, eindelijk het leven dat nergens meer naartoe hoeft.
J.J.v.Verre.
Dit essay is met ChatGPT gecorrigeerd.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten