Alan Watts (1915-1974), leert ons dat we geen afgescheiden ego's zijn die het leven moeten beheersen, maar uitingen van het universum zelf, bedoeld om het moment te ervaren als het enige dat werkelijk bestaat.
Er was een man die zijn leven wijdde aan het ondermijnen van de zekerheden waar wij ons aan vastklampen, als drenkelingen aan de afgebroken mast. Zijn naam is Alan Watts. Hij sprak niet als een profeet die vanaf bovenaf neerdaalt met de waarheid, maar als iemand die naast je komt zitten op een muurtje, zijn pijp stopt, en zegt: "Wat als we het eens anders bekijken?". Hij was een filosoof, maar dan een die geen systemen bouwde, geen voetnoten plaatste bij dode denkers. Hij sprak met de twinkeling van een dichter in zijn ogen en was als mysticus, gewikkeld in de nuchtere jas van een Engelsman die te lang in Californië had gewoond.
Zijn leven was een zoektocht naar de naden in de werkelijkheid, de plekken waar Oost en West elkaar raken, maar elkaar niet begrijpen. Vanaf het begin als jongeling in Engeland, nog voor hij de stem van de volwassenheid had gevonden, voelde hij zich aangetrokken tot de stille wijsheid van het Verre Oosten, tot de leegte die geen leegte is, tot de beelden van Boeddha's die glimlachen alsof ze een grap kennen die wij nog moeten begrijpen. Hij studeerde, las, en werd autodidact in de kunst van het denken, maar een denker die niet in universitaire hokjes paste, omdat zijn geest te sterk danste. Later, in Amerika, zou hij priester worden in een kerk welke hij uiteindelijk verliet omdat de muren te dik waren, te zwaar, te sterk gelovend in een God die buiten ons staat, in plaats van de naam die we geven aan het wonder van het bestaan zelf.
Wat Watts ons voorhoudt, is dat het grootste bedrog dat wij onszelf aandoen de overtuiging is dat wij een apart ego zijn, een eilandje van bewustzijn dat tegen de stroom van het leven in moet zwemmen. Hij lacht om die gedachte, niet spottend, maar vriendelijk, zoals je lacht om een kind dat denkt dat de maan hem volgt. Hij spreekt over de mens als een golf in de oceaan. De golf kan zich een moment verbeelden dat hij een aparte entiteit is, dat hij moet strijden tegen andere golven, en dat hij zo zijn eigen weg wil gaan. Maar de golf is enkel water, en de oceaan is water, en nooit is er een moment geweest waarop hij werkelijk gescheiden was. Zo zijn wij, zegt hij, geen bezoekers van het universum, maar een manifestatie ervan. Het universum ervaart zichzelf door onze ogen, hoort zichzelf door onze oren, en denkt na over zichzelf door onze gedachten.
En wat dan te denken van die angst, die diepe, knagende onzekerheid die ons voortjaagt om te presteren, te verwerven, te bouwen aan een toekomst die altijd net buiten bereik blijft? aar schreef hij een klein, groot boek over, The Wisdom of Insecurity, een helder en compact werk dat meer weegt in betekenis, dan in pagina's. De titel alleen al is een medicijn. Hij zegt dat onze honger naar zekerheid, naar vaste grond onder de voeten, juist de bron is van al onze angst. Wij willen het leven grijpen en vasthouden, maar het leven is als water, het stroomt altijd door je vingers. Ware wijsheid, zegt hij, is niet te vinden in het bouwen van dijken, maar het leren dansen op de golven. Het is het omarmen van de onzekerheid, het beseffen dat het nu het enige is wat er ooit is, en dat het verleden en de toekomst slechts gedachten zijn, spoken in de rommelige zolderkamer van ons hoofd.
Zijn denken is geen systeem, maar een perspectief, een manier van kijken. Hij haalt de ernst uit het leven, niet door het leven zelf onbelangrijk te maken, maar door te laten zien dat het een spel is, een kosmische dans van Shiva, een verschijnen en verdwijnen zonder vast doel, zonder ander doel dan het spel zelf. Als je beseft dat je niet een radertje bent in een machine maar een beweging in een dans, dan verdwijnt de dwang, de angst om te falen, de zware last van het moeten zijn. Dan wordt het leven wat het altijd al was: een geschenk dat je niet kunt verdienen, alleen ontvangen.
In zijn stem, die bewaard is gebleven in honderden uren aan lezingen die nog altijd te vinden zijn op internet, hoor je die bevrijding. Het is een stem die je meeneemt, niet naar een hoger plan, maar naar een dieper begrip van waar je al bent, alsof hij je zachtjes herinnert aan iets wat je heimelijk al wist. Hij citeert graag oude taoïstische teksten, vertelt verhalen over Zenmeesters die hun leerlingen een klap geven op het moment van de grootste wijsheid, en weeft er dan zijn eigen commentaar doorheen, glimlachend, met een sluwe knipoog. Hij zegt dat als je Boeddha op je weg tegenkomt, je hem moet doden, niet uit vijandigheid, maar om te voorkomen dat je een ander tot autoriteit verheft en zo de waarheid buiten jezelf plaatst. Waarmee hij bedoelt: hang je niet op aan experts, aan goeroes, aan beelden, aan het idee dat de waarheid buiten jezelf te vinden is. De waarheid ben jezelf, op dit moment, ademend, levend, verward en helder tegelijk. En zodra je dat begint te vermoeden, wordt de wereld niet eenvoudiger, maar wel intiemer. Alsof het bestaan eindelijk ophoudt om een raadsel te zijn dat je moet oplossen en verandert in een mooi gesprek waar je al lang deelgenoot van was. En in dat gesprek ontdek je dat het leven nooit op antwoorden wachtte, maar op jouw bereidheid om te luisteren. Niet met je hoofd, maar met die stille plek in jezelf waarmee alles al is verbonden. De plek waar inzicht niet wordt gezocht, maar vanzelf oplicht.
Alan Watts is geen filosoof die zich in een systeem laat vangen, maar een vriend om te lezen als je te ernstig over de dingen nadenkt, als je jezelf te zwaar tilt, als je vergeten bent om te lachen om die prachtige absurditeit van het bestaan. Een schrijver die je eraan herinnert dat het leven soms vraagt om hardop de vrolijke emoties te uiten. Hij toont ons dat we, in de kern, geen wezens zijn opzoek naar verlichting, maar dat we, in onze diepste essentie, de lichtbron zelf zijn, die even is vergeten dat hij schijnt. En dat vergeten, zegt hij met een glimlach, is het hele spel. Want wie eenmaal doorheeft dat het spel gespeeld wil worden, in plaats van gewonnen, merkt dat elke zucht al een uitnodiging is om opnieuw mee te doen. En zo wordt het leven weer licht genoeg om te dragen.
J.J.v.Verre.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten