Aristoteles ( 384-322 v. Chr.) bedoelt met het zijnde als zijnde, de studie van het zijn zelf, in zijn meest algemene en fundamentele betekenis, los van alle specifieke verschijningsvormen. Het is de kern van Aristoteles' metafysica: de wetenschap die het zijnde beschouwt voor zover het zijnde is.
Aristoteles spreekt over het zijnde als zijnde alsof hij een sluier optilt die altijd al voor onze ogen hing. Hij zoekt niet naar één soort werkelijkheid, niet naar beweging of getal of vorm alleen, maar naar dat stille fundament waardoor alles wat verschijnt in het geheel kan verschijnen. In zijn denken wordt het zijn zelf een soort adem die door alle dingen waait, een onzichtbare bedding waarin elk wezen zijn plaats vindt. Het zijnde is dan niet een verzameling van objecten, maar een veld van betekenis waarin substantie, vorm, doel en mogelijkheid als onderstromen door elkaar bewegen.
Wanneer Aristoteles dit onderzoekt, lijkt hij te luisteren naar de manier waarop de wereld zichzelf openbaart. Hij vraagt wat het betekent dat iets is, niet hoe het beweegt of hoe het meetbaar wordt, maar hoe het zich als aanwezigheid toont. In die vraag ontstaat een ruimte waarin de dingen hun essentie laten zien, namelijk niet als toevallige eigenschappen, maar als datgene wat hen tot zichzelf maakt. Substantie wordt dan geen harde kern, maar een soort innerlijke helderheid, een vorm die zich in materie uitdrukt zoals een melodie zich in klanken legt.
Het zijnde als zijnde is een poging om de wortels van de werkelijkheid te raken. Waar de natuurkunde de bladeren bestudeert en de wiskunde de symmetrie van de takken, daalt Aristoteles af naar de donkere aarde waarin alles wortelt. Daar, in die diepte, zoekt hij naar de principes die niet veranderen wanneer de vormen veranderen, naar dat wat blijft wanneer alles stroomt. Mogelijkheid en werkelijkheid worden daar geen abstracte begrippen, maar twee polen van een getijdenstroom, namelijk dat wat kan zijn en wat is, dat wat nog wacht en wat zich reeds toont.
Zo wordt zijn metafysica een stille wandeling door de structuur van het bestaan. Niet om het mysterie te verdrijven, maar om het te verstaan. Het zijnde als zijnde is dan een uitnodiging om de wereld te zien zonder de ruis van categorieën, om te kijken naar het zijn zelf zoals men naar de horizon kijkt: niet als een object, maar als een grens die alles draagt en tegelijk aan alles ontsnapt. In die blik wordt duidelijk dat Aristoteles niet alleen een denker is, maar ook een luisteraar, iemand die de werkelijkheid benadert zoals men een oude boom benadert. Een benadering met aandacht, met verwondering, en met het besef dat het wezenlijke zich pas toont wanneer men stil genoeg wordt om het te horen. En zo blijft het zijnde, in zijn stille diepte en onuitputtelijke gedaanten, ons uitnodigen om telkens opnieuw te ontwaken in het wonder dat het in het geheel verschijnt. En in die uitnodiging ontvouwt zich het besef dat het zijn niet slechts een gegeven is, maar een beweging, een overgang van mogelijkheid naar werkelijkheid, waarin elk wezen zijn bestemming nadert als een vorm die uit de sluier van het potentieel tevoorschijn treedt.
Ik heb geprobeerd in deze beschouwing de diepte van Aristoteles' denken te verkennen en het zijnde als zijnde in prozaïsche taal te laten ademen.
J.J.v.Verre.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten