Deze titel verwijst poëtisch naar deze twee begrippen. Stroom als metafoor voor Jungs collectieve onbewuste, de ondergrondse beweging van archetypen. Spiegel als beeld voor Durkheims collectieve bewustzijn, waarin de mens zichzelf en de ander herkent via gedeelde rituelen en symbolen.
De collectieve geest of collectief bewustzijn van Émile Durkheim (1858-1917), versus het collectief onbewuste van Carl Gustav Jung (1875-1961).
Er zijn momenten waarop twee ideeën, geboren in verschillende eeuwen en gevoed door uiteenlopende denktradities, elkaar onverwacht raken alsof ze twee ondergrondse rivieren zijn die pas diep onder de aarde elkaars stroom voelen. Zo bewegen Durkheims collectieve bewustzijn en Jungs collectieve onbewuste door de menselijke geschiedenis, het ene zichtbaar als een sociale huid die ons samenbindt, het andere onzichtbaar als een oeroude adem die door onze dromen waait. Wanneer je ze naast elkaar legt, ontstaat een stille spanning, een resonantie die niet vraagt om een keuze maar om een houding van aandachtig luisteren, alsof je een echo probeert te vangen die niet van één stem afkomstig is.
Durkheim zag de mens als een wezen dat pas werkelijk bestaat in de spiegel van de gemeenschap. In zijn ogen is het collectieve bewustzijn een weefsel van gedeelde overtuigingen, rituelen en symbolen dat boven de individuen uitstijgt en hen tegelijk draagt. Het is de onzichtbare architect van onze samenlevingen, de kracht die ons leert wat heilig is, wat verboden, wat waardevol. Het leeft in de manier waarop een dorp een feest viert, in de stilte van een minuut herdenking, in de vanzelfsprekendheid waarmee we een hand uitsteken naar iemand die struikelt. Het is een bewustzijn dat niet in één hoofd woont, maar in de ruimte tussen mensen, in hun gebaren, hun verhalen, hun gewoonten.
Jung daarentegen richtte zijn blik naar binnen, naar de diepte van de psyche waar geen woorden wonen maar beelden, waar geen wetten gelden maar archetypen. Het collectieve onbewuste is geen sociale constructie maar een erfgoed dat we meedragen zoals we onze botstructuur meedragen. Het spreekt in dromen, in mythen, in de plotselinge herkenning van een symbool dat we nooit eerder zagen maar toch begrijpen. Het is de plek waar de Schaduw sluimert, waar de Moeder en de Held hun eeuwige rollen spelen, waar de mens niet alleen individu is maar drager van een oeroud verhaal dat telkens opnieuw verteld wil worden. Het collectief onbewuste is sterker chromosomaal bepaald dan het collectieve bewustzijn. Jung beschouwt dit collectieve onbewuste als een erfelijk psychisch fundament, terwijl dat voor het collectieve bewustzijn van Durkheim niet opgaat.
Toch, wanneer je lang genoeg kijkt, beginnen deze twee werelden elkaar te spiegelen. Want wat is een ritueel anders dan een archetype dat vorm heeft gekregen in de tijd? Wat is een mythe anders dan een brug tussen de innerlijke diepte en de sociale hoogte? Misschien is het collectieve bewustzijn de oppervlakte waarop het collectieve onbewuste zijn patronen tekent, zoals de wind rimpels trekt over een meer. Misschien is de samenleving zelf een droom die de mensheid hardop droomt, een poging om de innerlijke beelden te ordenen tot een gedeelde werkelijkheid.
In die zin zijn Durkheim en Jung geen tegenpolen maar twee stemmen in een groter koor. De een beschrijft de structuur van de gemeenschap, de ander de structuur van de ziel, maar beiden raken aan hetzelfde mysterie, namelijk dat wij meer zijn dan onszelf, dat er iets door ons heen beweegt dat ouder is dan onze namen en groter dan onze levens. Het collectieve bewustzijn is de taal die wij samen spreken; het collectieve onbewuste is de bron waaruit die taal ooit is opgestegen. En ergens tussen die twee, in het dunne membraan waar binnenwereld en buitenwereld elkaar raken, ontstaat cultuur, ontstaat betekenis, ontstaat menselijkheid.
Misschien is het wel zo dat de ware ontmoeting tussen Durkheim en Jung niet in een academisch debat moet plaatsvinden, maar in het besef dat de mens een dubbel wezen is, geworteld in de aarde van de gemeenschap en gevoed door de sterren van de psyche. We dragen de rituelen van onze voorouders en de dromen van onze verre oertijd tegelijk in ons. En telkens wanneer we samenkomen rond een vuur, een feest, een rouwstoet, een verhaal, wordt die dubbele structuur zichtbaar, alsof iets in ons herinnert dat we zowel uit aarde als uit sterrenstof bestaan, en dat elke ontmoeting een oude waarheid opnieuw tot leven wekt. De samenleving die zichzelf bevestigt, en de archetypen die door de vlammen heen fluisteren, terwijl in dat mompelen iets doorklinkt dat ouder is dan taal en toch precies weet wie wij zijn.
Zo wordt het collectieve bewustzijn een dans van vormen, en het collectieve onbewuste de muziek waarop die vormen bewegen. En wij, dragende kabouters van deze grote beweging, voelen soms even hoe beide stromen elkaar raken in ons eigen leven. Wanneer een symbool ons ontroert zonder dat we weten waarom, wanneer een traditie ons raakt alsof ze al eeuwen in ons woont, wanneer we in de blik van een ander iets herkennen dat ouder is dan woorden. Dan wordt duidelijk dat deze twee begrippen geen theoretische constructies zijn, maar twee manieren om hetzelfde wonder te benaderen. Het mirakel dat de mens nooit alleen is, zelfs niet in zijn diepste innerlijk, omdat hij altijd deel uitmaakt van een groter verhaal dat door hem heen ademt. In dat verhaal herkent hij, soms maar heel even, het verdwaalde licht dat hem draagt, en voelt hij hoe het zich heimelijk met zijn eigen adem verweeft. En dan wordt het stil, en vervloeit de spiegel met de stroom.
J.J.v.Verre.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten