De AI afbeelding toont een mediatief silhouet van een menselijk wezen, omringd door een kosmische wereld van sterren, planeten, natuur en licht, als symbool voor bewustzijn als ruimte waarin alles verschijnt. Rond het centrale beeld staan tien inzichten die uitleggen waarom bewustzijn als fundamenteel kan worden beschouwd, onder meer omdat iedere ervaring, gedachte en waarneming erin verschijnt. Onderaan wordt de kern samengevat: we zijn niet in het bewustzijn; volgens deze visie zijn wij bewustzijn, en verschijnt de wereld in ons. Of om het nog mystieker te verwoorden: De wereld verschijnt als een droom in het grenzeloze licht van het bewustzijn.
“Ik ben het bewustzijn waarin de ervaring van ‘ik’ verschijnt.”
Er is een stilte die aan alle woorden voorafgaat, een helderheid waaruit alle gedachten ontstaan. Die stilte, die helderheid, is het bewustzijn. Het is niet iets wat wij bezitten, alsof het een eigenschap is van een brein dat toevallig complex genoeg is geworden om zichzelf te bespiegelen. Veeleer verschijnt alles wat wij hebben, alles wat wij zijn en alles wat wij ooit kunnen kennen, binnen dat bewustzijn. Iedere gedachte, iedere waarneming, iedere herinnering en iedere emotie verschijnt erin.
Toch heeft de westerse wetenschap het bewustzijn lange tijd behandeld als een bijverschijnsel van de materie: een toevallige glinstering die ontstaat wanneer hersenen een bepaalde complexiteit bereiken. Atomen en velden worden beschouwd als de fundamentele werkelijkheid, terwijl onze ervaring van kleur, pijn, schoonheid en verwondering wordt verklaard als gevolg van lichamelijke processen.
Maar daar ligt een merkwaardige spanning. Alles wat wij over materie weten, kennen wij immers via ervaring. Wij kunnen de hersenen onderzoeken, neuronen meten en elektrische signalen registreren, maar het verschijnsel dat al deze kennis voor ons betekenis geeft, blijft de ervaring zelf. Hoe kan iets wat slechts een bijproduct van ervaring zou zijn, het uitgangspunt worden van iedere kennis over de werkelijkheid?
Er is een oud verhaal over een vis die in de oceaan leeft en aan een wijze vraagt waar hij water kan vinden. Zo is het misschien ook met ons en het bewustzijn. Wij zoeken naar de grond van het zijn, kijken naar de verste sterren en de diepste structuren van de materie, maar vergeten dat de zoeker zelf deel uitmaakt van het raadsel. Wij zoeken het bewustzijn alsof het ergens buiten ons te vinden is, terwijl iedere zoektocht zich er al in voltrekt.
Het denken lijkt daarbij onze poortwachter. Het vergelijkt, berekent, onderscheidt en toetst. Het is een buitengewoon instrument, ontwikkeld om ons door een wereld van vorm, verandering en gevaar te leiden. Maar het denken kan de stilte waaruit het zelf voortkomt niet volledig omvatten. Het kan een intuïtie onderzoeken, haar aan de rede onderwerpen en haar controleren, maar in die controle stuit het steeds op dezelfde merkwaardige grens: het instrument dat de ervaring onderzoekt, maakt zelf deel uit van die ervaring.
Wellicht dienen wij daarom onze voorstelling van de werkelijkheid te herzien. Wat wij werkelijkheid noemen, is voor ons nooit een verzameling objecten op zichzelf, maar altijd een wereld die verschijnt. De bergen, de oceanen en de sterren verschijnen in bewustzijn, evenals liefde, eenzaamheid, pijn en verwondering. Dat betekent niet automatisch dat de buitenwereld slechts een illusie is. Wel betekent het dat bewustzijn geen verschijnsel is dat wij eenvoudig buiten beschouwing kunnen laten wanneer wij de werkelijkheid willen begrijpen.
Deze gedachte heeft een lange filosofische geschiedenis. Spinoza beschreef God of de natuur als één substantie waarin alle dingen bestaan. Hegel zag de Geest als iets dat zich in de geschiedenis ontvouwt en in het menselijk bewustzijn tot zelfkennis komt. Hedendaagse denkers zoals Bernardo Kastrup en Thomas Nagel hebben, ieder op hun eigen wijze, opnieuw de vraag gesteld of bewustzijn werkelijk uit materie kan worden afgeleid, of dat onze gebruikelijke voorstelling misschien moet worden omgekeerd: niet bewustzijn als product van materie, maar materie als verschijningsvorm binnen bewustzijn.
Als bewustzijn inderdaad fundamenteel is, heeft dat gevolgen die verder gaan dan een abstract filosofisch debat. Het verandert de manier waarop wij naar onszelf, naar anderen en naar de dood kijken. De dood zou dan niet noodzakelijk het einde van bewustzijn betekenen, maar het einde van een bepaalde vorm waarin ervaring zich manifesteert. Zoals een golf zijn afzonderlijke vorm verliest en toch niet ophoudt water te zijn, zo zou ook het individuele bewustzijn kunnen worden gezien als een tijdelijke uitdrukking van iets fundamentelers.
Daarmee verandert ook onze ervaring van afzondering. Eenzaamheid zou niet langer alleen een breuk met het geheel zijn, maar ook een toestand waarin wij vergeten dat wij nooit volledig afgescheiden zijn geweest. Mededogen, verwondering en diepe aandacht krijgen dan een andere betekenis. Zij worden momenten waarin de gebruikelijke grens tussen het zelf en de wereld tijdelijk minder hard wordt.
Toch is er weerstand tegen deze gedachte. Misschien juist omdat zij ons onze vertrouwde kleinheid ontneemt. Wanneer wij onszelf zien als afzonderlijke machines van vlees en bloed, kunnen wij ons verschuilen achter de wetten van de fysica en de toevalligheden van de evolutie. Wij hoeven dan niet te vragen waarom er überhaupt ervaring is. Wij hoeven alleen te verklaren hoe neuronen signalen verwerken.
Maar daarmee is de ervaring zelf nog niet verklaard.
Een elektrisch signaal kan worden gemeten, maar waar is in die meting de ervaring van rood? Een neuron kan worden waargenomen, maar waar bevindt zich in dat neuron de pijn die iemand voelt? Het reductionisme kan steeds nauwkeuriger beschrijven wat er in het brein gebeurt, maar de beschrijving van een proces niet niet noodzakelijk hetzelfde als de ervaring van dat proces. Dat is het moeilijke probleem dat telkens terugkeert: hoe kan een objectieve beschrijving van materie verklaren waarom er überhaupt een subjectieve binnenwereld bestaat?
Misschien is het daarom vruchtbaarder om bewustzijn niet als een laat product van de werkelijkheid te beschouwen, maar als een van haar grondvoorwaarden. Niet als een verafgelegen goddelijk wezen, maar als het meest nabije en intieme dat wij kennen: de stilte waarin alle geluiden verschijnen, de ruimte waarin alle vormen worden ervaren.
Het denken is dan een beweging binnen die ruimte, een poging van het bewustzijn om zichzelf te begrijpen. Intuïtie kan worden gezien als een ander soort weten: niet een vervanging van het denken, maar een onmiddellijke gewaarwording die eraan voorafgaat. Het denken toetst haar, corrigeert haar en beschermt ons tegen zelfbedrog. De intuïtie herinnert ons er tegelijk aan dat niet alles wat werkelijk is, eerst in woorden hoeft te worden gevangen.
En misschien is dat de meest opmerkelijke conclusie: dat wij het bewustzijn niet van buitenaf hoeven te bewijzen. Op ieder moment waarin wij aandachtig luisteren, kijken of ademen, is het al aanwezig. wanneer wij een bloem zien of het gezicht van een geliefde, hoeven wij geen theorie te formuleren om te weten dat er ervaring is. De ervaring is er vóór de theorie.
Daarom hoeft de vraag misschien niet langer te zijn: waar komt het bewustzijn vandaan? Misschien moeten wij eerst vragen waarom wij ooit hebben aangenomen dat het ergens vandaan moest komen.
Misschien is bewustzijn niet iets wat in het universum is verschenen.
Misschien is het datgene waarin het universum verschijnt.
En als dat zo is, zijn wij niet slechts reizigers die door een vreemde wereld trekken. Wij zijn het bewustzijn waarin de reis verschijnt: de reiziger, de weg en de horizon, gedragen door een stilte die nergens vandaan komt en nergens naartoe hoeft.
Misschien is dat uiteindelijk het geheim: dat wij nooit werkelijk op weg naar huis zijn geweest, omdat wij al die tijd thuis waren in datgene waarin de hele reis zich voltrok.
J.J.v.Verre.
Dit essay is met ChatGPT gecorrigeerd.
.

6 opmerkingen:
Beste Jan Jaap, een prachtig geschreven essay. Maar, als alle ervaring volgens jouw essay binnen bewustzijn verschijnt, wat rechtvaardigt dan de stap om bewustzijn niet alleen als voorwaarde van ervaring te zien, maar als de fundamentele structuur van de werkelijkheid zelf? Ik ben benieuwd naar je reactie.
Beste Johan,
Je stelt een vraag waarvan je weet dat ik daar niet zomaar een antwoord op kan geven. Dat alles wat wij ervaren binnen bewustzijn verschijnt, maakt bewustzijn tot een voorwaarde van onze ervaring, maar bewijst nog niet dat het de grond van de werkelijkheid zelf is.
De stap naar die ontologische conclusie vereist de extra aanname dat wat fundamenteel bestaat, niet afhankelijk kan zijn van iets wat eerst door bewustzijn gekend moet worden.
Daarmee wordt bewustzijn een sterke kandidaat voor het fundament van de werkelijkheid, maar het blijft een metafysische hypothese, geen logisch bewezen conclusie.
De kernvraag blijft dus of bewustzijn slechts onze toegang tot de werkelijkheid bepaalt, of dat het de werkelijkheid zelf in haar diepste vorm draagt.
Misschien ben ik niet het “ik” dat verschijnt, maar het bewustzijn waarin de ervaring van “ik” verschijnt.” Dank voor je reactie.
Groet,
Jan Jaap.
Beste Jaap,
Deze beschouwing over bewustzijn blijf ik wel ingewikkeld vinden. Jouw zin: Misschien ben ik niet het “ik” dat verschijnt, maar het bewustzijn waarin de ervaring van “ik” verschijnt, moet je toch nog eens uitleggen. Groet Hans.
Beste Hans,
Wat ik probeer te benoemen is dit: het "ik " dat we normaal voelen - dat kleine centrum van gedachten, herinneringen en reacties - is eigenlijk iets dat verschijnt, net zoals een beeld dat verschijnt op een scherm. Maar dat scherm zelf is niet het beeld. Het is de stille achtergrond waarin alles opkomt. Ik ben niet het kleine ‘ik’ dat denkt en voelt. Ik ben de open ruimte waarin dat alles verschijnt. Er is een stille achtergrond waaruit jouw gedachten oplichten als vogels die even landen en dan weer verdwijnen in de lucht. Die lucht ben jij. Niet de vogel die komt en gaat, niet de windvlaag van een emotie, niet het verhaal dat zich telkens herschrijft. Jij bent het veld van aanwezigheid waarin elke beweging wordt gedragen - het zachte, grenzeloze bewustzijn waarin het kleine ‘ik’ als een tijdelijke schaduw verschijnt en weer oplost in het licht dat het altijd al was. Er is een openheid zonder vorm, zonder grens, zonder naam. In die openheid duikt soms een contour op die zichzelf ik noemt - een trilling, een tijdelijke plooi in iets dat nooit plooit. Gedachten rijzen, gevoelens bewegen, maar de ruimte waarin zij verschijnen blijft onaangeraakt, onaangedaan, onbegrensd. Die ruimte ben jij. Niet als iemand, maar als het stille veld waarin elke vorm van zelf-ervaring even oplicht en weer vervloeit in wat nooit verschijnt en nooit verdwijnt. Er is een ruimte zonder richting, zonder vorm, zonder verlangen. In die ruimte valt soms een beweging op, een gedachte, een echo van een ik. Maar nog vóór het woord ontstaat is er al openheid, een helderheid die niets draagt en toch alles laat verschijnen. Geen centrum. Geen grens. Geen naam. Alleen aanwezigheid die zichzelf niet kent en daarom oneindig is. Bewustzijn blijft voor mij het meest intrigerende onderwerp om over te schrijven, waarbij ik mij ervan bewust ben dat een wetenschappelijke onderbouwing van mijn opvattingen vooralsnog ontbreekt. Dank voor je reactie, groeten Jan Jaap.
Beste meneer van Verre, ik vind uw beschouwingen over bewustzijn intrigerend om te lezen. Maar ik begrijp niet goed welk bewustzijn nu fundamenteel is. Een universeel bewustzijn, uw bewustzijn of mijn bewustzijn? Want als er een universeel bewustzijn bestaat, waarom ervaart dat ene bewustzijn de wereld vanuit eindeloos vele afzonderlijke perspectieven?
Beste Karin,
Bewustzijn zie ik als fundamenteel: als de basale laag van de realiteit waarin alles verschijnt, inclusief onze eigen ervaring en waarneming. Jouw, mijn en het universele bewustzijn maken in die visie deel uit van één fundamenteel bewustzijn, waaruit zowel subjectieve ervaring als objectieve verschijnselen voortkomen.
Wij zijn het bewustzijn waarin de reis verschijnt: de reiziger, de weg én de horizon, gedragen door een stilte die nergens vandaan komt en nergens naartoe hoeft.
Het universele bewustzijn ervaart de wereld door miljarden naamloze, ogenschijnlijk afzonderlijke perspectieven. Het neemt zichzelf waar via een gedifferentieerde kosmische manifestatie. Dit betekent geen fragmentatie van het bewustzijn zelf, maar een differentiatie van ervaring via lokale perspectieven en filters, waardoor het universele bewustzijn zichzelf kan ervaren, onderzoeken en tot zelfbewustzijn kan komen.
Dit principe vormt een belangrijk uitgangspunt binnen de non-duale filosofie en vertoont ook raakvlakken met moderne integratieve theorieën over bewustzijn.
Het kernprobleem blijft echter onbeantwoord: hoe kan één enkel bewustzijn zich manifesteren als vele individuele subjecten, zonder daarmee zijn fundamentele eenheid te verliezen? Je zou dit ook anders kunnen formuleren: Hoe kan één werkelijkheid tegelijkertijd als eenheid én als veelheid verschijnen? Ik ga er nog eens over nadenken hoe een poëtisch antwoord zou kunnen klinken. Hartelijk dank voor je reactie. Ik kom er graag op terug, met de belofte voor een poëtisch antwoord.
Hartelijke groet,
Jan Jaap.
Een reactie posten