zaterdag 16 augustus 2025

Het Licht.

 

                  - Fragment uit het (fictieve) Boek der Eerste Straling: 

En vóór den Tijd, eer de Sluiers van Aarde en Hemel waren gesponnen, sprak het Licht niet, doch wás. Geen Bron werd gezien, geen Oog aanschouwde den Oorsprong, want het Licht was ouder dan het zien. Het bewoonde de Leegte als een Koning zonder Rijk, wachtende, sluimerende, tot de Adem der Schepping het wekte.

En zij, die het Licht hebben aanschouwd, zeggen: Het woont in de Diepten des Harten, achter zeven Poorten, bewaakt door stilte. Wie de Poorten opent, ziet geen gedaante, hoort geen stem, maar wordt zelf het Lied dat de Sferen draagt. Want het Licht is geen gloed, maar het Weten dat er nimmer duisternis is geweest.

De Schaduw buigt voor het Licht, want zij is slechts de herinnering aan den Ochtend. Zij volgt Hem als de nacht de zon en verdwijnt wanneer Zijn Aangezicht verschijnt. En de Wijzen fluisteren: "Gij zijt gemaakt van hetzelfde Weefsel, O mens, van dezelfde Straling die het begin der tijden heeft gedragen".

Weet: wie zich aan het Licht overgeeft, verliest naam en vorm en vindt daarin den Naam die niet kan worden gesproken. In dat uur vergaat de kringloop van dagen en nachten en wordt het Hart een Tempel zonder muren, gevuld met het Eeuwige.  


In veel spirituele tradities is licht een metafoor voor God, Bron of Zijn. Spiritueel licht is de levende aanwezigheid van het goddelijke, die overal doordringt en alles in liefdevolle helderheid laat bestaan. In mystieke en non-dualistische tradities is het licht vaak een symbool voor puur bewustzijn of innerlijk ontwaken. In het boeddhisme is verlichting letterlijk verlicht worden, het duister van de onwetendheid verdwijnt en het licht van inzicht verschijnt. In de Vedãnta, een stroming binnen de Hindoestaanse filosofie, is het Zelf (Atman) licht, het verlicht alles wat je ervaart, maar wordt zelf niet gezien. In de New Age filosofie spreken we van “ lichtwerkers “ die heling brengen door bewustzijn en liefde, zij dragen het licht van de Bron. Spiritueel licht is het vermogen om te zien wat waar is, in jezelf, in anderen en in de wereld.

Licht is vaak gekoppeld als liefdevolle tegenhanger van duisternis. Zoals waarheid in plaats van illusie, liefde i.p.v. angst en eenheid i.p.v. afscheiding. Licht verdrijft duisternis, maar niet in strijd. Het openbaart wat verborgen was, geneest wat verwond was en verbindt wat afgescheiden leek.

In veel spirituele stromingen wordt gezegd dat het licht in jou je ware aard is. Zoals in de bijbel wordt vermeld: “Het Koninkrijk van God is binnen in u “(Lucas 17:21). Boeddhistische teksten spreken over het “stralende bewustzijn “ van de geest. In de mystiek van Meister Eckhart waar valt te lezen: In de kern van de ziel brandt een “vonkje “ van het goddelijke licht. Dit licht is niet iets wat je verwerft, maar wat je herinnert. Spirituele groei is het oplichten van de sluier, zodat het licht vrij kan stralen. Spiritueel licht is ook een kracht die je de weg wijst. De weg naar inzicht, inspiratie en intuïtie zijn allemaal aspecten van het licht. Ook kan het een beschermende rol vertolken, zoals in de zin: “Licht rondom mij”, waarbij het kan worden ervaren als een spiritueel schild. Ook kan het mensen motiveren, zoals het licht volgen of het licht zijn voor anderen.

Licht is datgene wat alles zichtbaar maakt, maar zelf onzichtbaar blijft. In spirituele zin is licht jouw ware aard, helder en liefdevol, grenzeloos en één met het universum.


Het Oerlicht.


In het zwijgen vóór het eerste trillen van de tijd, vóór de ademtocht van werelden, ademde het Oerlicht zichzelf uit. Geen zon, geen ster, geen vlam, doch slechts een onmetelijke glans zonder herkomst, zonder einde. Het was de wieg waarin de schepping droomde, de adem waaruit al wat is, ontwaakte, als een geslaagde reanimatie bij een nog ongeborene.

Dit licht woont niet enkel boven de hemelen, maar reikt er zelfs voorbij, als een eeuwige straling die geen enkele wereld kan omvatten. Het vouwt zich in de vezels van ons wezen, sluimert achter de sluier van gedachten, wachtend tot wij onze ogen sluiten om werkelijk te zien. Soms is het slechts een vonk, verborgen als dauw in het gras van de ziel. Soms is het een oceaan van straling die alles doordrenkt, tot zelfs de stilte zingt.

De schaduw kent dit Licht en buigt ervoor, niet uit nederigheid maar in herinnering, in herkenning. Ook zij is slechts het wachten op een terugkeer. Het Licht spreekt niet in klanken, maar in de stroom die door het hart beweegt, in het onuitgesproken weten: Er is geen scheiding, alleen één Zijn dat zich oneindig uitvouwt.

In Zijn gloed worden de contouren van het zelf doorzichtig. Tijd wordt een cirkel, ruimte een oceaan zonder oevers. Het is het gezang dat door de aderen van de sterren stroomt, het vuur dat in stilte in elke cel brandt.

En wie zich in dit Oerlicht laat dragen, merkt dat er geen pad is, alleen het eeuwige Nu, helder als de dageraad van de eerste dag, mild als een eeuwen lange omhelzing. Want hoe diep de nacht ook weeft, één straal is genoeg om het hart te herinneren dat het altijd van Licht is gemaakt.


J.J.v.Verre.


donderdag 14 augustus 2025

Compassie.

 

                 Compassie buigt niet van medelijden, maar van kracht


De stille erkenning dat jouw pijn mijn echo is en mijn stilte jouw schaduw. In die herkenning ontvouwt zich zorg, niet vanuit belofte noch verplichting, maar als vanzelfsprekende stroming van het samenzijn van bewuste energie.

Bestaat er een verschil tussen compassie en mededogen? Misschien bestaat er een subtiel verschil in nuance. Compassie komt van het Latijn compassio wat meelijden of meevoelen betekent. Het richt zich vooral op het gevoelsaspect, het emotioneel geraakt worden door het lijden of situatie van de ander. Het is de primaire reactie, je ziet of voelt iemands pijn en je hart reageert spontaan. Het woord mededogen is samengesteld uit twee Oudnederlandse elementen, namelijk mede wat betekent samen of tezamen en dogen, wat afkomstig is van het werkwoord dooghen/doegen, wat kan worden vertaald met nut hebben, van waarde zijn, maar werd ook gebruikt in de betekenis van lijden of ondergaan in samenstellingen. Letterlijk zou je mededogen kunnen vertalen als het samen iets ondergaan of samen het lijden dragen. Misschien zou je dan compassie kunnen definiëren als het openen van je hart, een spontaan empathisch gevoel. Mededogen daarentegen zou je meer kunnen zien als de daadwerkelijke uitdrukking van de verbondenheid. Een bewuste, zelfbewuste en transformerende reactie op het lijden, geworteld in een diep bewustzijn van de universele eenheid. In deze beschouwing heb ik geen onderscheid gemaakt tussen deze twee begrippen.

De spirituele betekenis van compassie gaat veel verder en dieper dan alleen medelijden of sympathie voor iemand die lijdt. Compassie wordt in spirituele tradities gezien als een wezenlijke deugd. Hiermee bedoel ik een innerlijke, essentiële kracht die voortkomt uit wie je in je diepste wezen bent. Compassie wordt hierbij niet gezien als iets dat je doet, maar als iets dat je bent, zodra je in contact komt met het wezenlijke van jezelf en het leven dat je met de ander beleeft. Een kracht die het hart opent voor verbondenheid met anderen en met het leven als geheel. Spiritueel betekent compassie de erkenning dat alle wezens verbonden zijn. Als je compassie voelt, erken je het lijden van een ander als iets dat ook jou raakt. Niet omdat je medelijden hebt, maar omdat je niet afgescheiden bent van de ander. In het boeddhisme betekent compassie (karuna) het spontaan verlangen om het lijden van andere wezens te verlichten, vanuit het inzicht dat wij allemaal deel uitmaken van dezelfde stroom van leven. Het wordt beschouwd als een van de belangrijkste kwaliteiten op het pad naar verlichting, zowel voor monniken als voor leken beoefenaars. In het boeddhisme wordt karunã gedefinieerd als: “De oprechte wens dat anderen verlost mogen worden van lijden”. Compassie is dus actief en betrokken, niet passief. Het is ook groter dan medelijden, het is het verlangen en de intentie om het lijden van anderen en van jezelf te verlichten. Compassie wordt als één van de Vier Onmetelijke Gemoedstoestanden beschouwd. Naast Mettã (liefdevolle vriendelijkheid), Muditã (vreugde over het geluk van anderen) en Upekkhã (innerlijke balans en helderheid). Compassie (Karunã) vormt hierin de reactie van het hart op het lijden van anderen, net zoals mede vreugde (Muditã) de reactie is op hun geluk. De historische Boeddha wordt vaak gezien als een belichaming van compassie en wijsheid. Zijn verlichting was niet slechts voor zichzelf, maar hij besloot zijn inzichten te delen uit mededogen met alle voelende wezens. In het boeddhisme is het essentieel dat compassie samenkomt met wijsheid. Compassie zonder wijsheid kan blind of naïef worden, terwijl wijsheid zonder compassie koud of afstandelijk kan zijn. De Boeddha onderwees dat ware spirituele groei ontstaat wanneer je lijdt met begrip (je doorziet oorzaken van lijden helder) en vervolgens handelt met mededogen (je doet wat je kunt om lijden te verlichten). De boeddhistische filosofie cultiveert compassie door meditatie op compassie, ethisch leven en door engagement in de wereld, waarbij niet alleen iets vanuit het innerlijk ten toon wordt gesteld, maar ook maatschappelijk, zoals je inzetten voor vrede, sociale rechtvaardigheid en ecologische zorg.

Compassie is een onvoorwaardelijke liefdevolle houding, zonder oordeel of behoefte aan beloning. Het is de kracht die het ego overstijgt, want je handelt niet vanuit eigenbelang, maar vanuit pure medemenselijkheid of ultieme liefde. Compassie is niet alleen gericht op anderen, maar ook op jezelf. Want spirituele groei vereist zelf compassie, dat wil zeggen jezelf met mildheid bejegenen, ook in je imperfectie. Door compassie te beoefenen transformeer je jouw innerlijke wereld, waarbij je hart zachter en wijzer wordt en beter afgestemd op het welzijn van het geheel.

In veel tradities wordt compassie gezien als een genezende kracht. Het heelt wonden, niet alleen van anderen, maar ook je eigen innerlijke pijn. Vanuit compassie ontstaat vaak diepe wijsheid, omdat je leert kijken met de ogen van begrip en liefde in plaats van angst en oordeel. Compassie is een beoefening, net als meditatie of gebed. In het boeddhisme en christendom wordt compassie bewust gecultiveerd, bijvoorbeeld door meditaties als Metta (liefdevolle vriendelijkheid) of door het volgen van het voorbeeld van Christus, Boeddha, of andere wijzen.

In het analytisch idealisme is compassie de natuurlijke taal van het ene bewustzijn dat zichzelf herkent in de ander. En in dat herkennen, zich herinnert dat er uiteindelijk geen ander is.

In het non-dualisme is compassie geen handeling van iemand, maar het stille stralen van liefde dat vanzelf ontstaat wanneer je ziet dat jij de ander bent en dat er in wezen nooit twee zijn geweest.

Samenvattend is compassie de spirituele erkenning dat jouw welzijn onlosmakelijk verbonden is met dat van anderen. Een hartkwaliteit van liefde, zachtheid en het verlangen om lijden te verlichten, in jezelf en in de wereld. Ik ben jij, jij bent mij en wij zijn zij met ons erbij.


J.J.v.Verre.


Bronvermelding:


- De Metta Meditatie, ook bekend als de liefdevolle vriendelijkheid meditatie, is een klassieke boeddhistische beoefening die het hart opent en compassie ontwikkelt. Voor jezelf, voor anderen en uiteindelijk voor alle levende wezens. De meditatie bestaat uit het herhalen van innerlijke wensen of zinnen die liefdevolle intenties uitdrukken. Deze worden eerst gericht op jezelf, daarna op anderen.

- Mededogen, Spirituele Filosofie, 1 april 2011.


woensdag 6 augustus 2025

Het verstilde licht in het voorbijgaan.

 

 vergankelijkheid van voetstappen geschreven op het natte strand

Vergankelijkheid:
In het volledig omarmen van het tijdelijke, raken we soms, vluchtig, het tijdloze aan.


De spirituele betekenis van vergankelijkheid, de eigenschap dat alles eindig is en verandert, is een diep en universeel thema in bijna alle spirituele en filosofische tradities. Het kan worden gezien als een fundamentele waarheid die tot bevrijding en wijsheid kan leiden en die je van de eeuwigheid laat proeven in een druppel tijd. In het boeddhisme is vergankelijkheid (anicca) een van de drie kenmerken van het bestaan. Samen met lijden (dukkha) en niet-zelf (anatta). Het niet-zelf kan je samenvatten als de bevrijdende ontdekking dat er geen vast “ik “bestaat, maar slechts een stroom van vergankelijke verschijnselen, waarmee je je niet langer identificeert. Alles verandert constant, gedachtes, emoties, situaties, maar ook het fysieke lichaam. Vasthouden aan wat verandert, veroorzaakt lijden. Door anicca te aanvaarden, ontstaat innerlijke rust. Je leert om los te laten, in het nu te leven en ware vrijheid te vinden buiten gehechtheid. In het hindoeïsme en de Advaita Vedanta bestaat de cyclus van samsara. Het aardse leven is vergankelijk (maya), een illusie die ons afleidt van het eeuwige (Brahman). Identificatie met het tijdelijke (lichaam, bezit of status) leidt tot reïncarnatie. Bevrijding (moksha) wordt het besef genoemd dat je ware zelf (Atman) onvergankelijk is en leidt tot eenheid met het eeuwige. Ook het christendom roept: “Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren” (Genesis 3:19), wat herinnert aan nederigheid en gericht op het goddelijke. De vergankelijke wereld is een doorgang naar het eeuwige leven. Ook memento mori (gedenk te sterven) dient als spirituele oefening. Liefde en compassie zijn de enige onvergankelijke waarden. Ook de islamitische mystiek, het soefisme, ziet vergankelijkheid als liefdesdaad: Alles keert terug naar God. “Wij behoren God toe en tot hem keren wij terug “. De wereld is een spiegel die Gods schoonheid tijdelijk reflecteert. Loslaten leidt tot eenwording met het Eeuwige. Ook binnen het taoïsme is vergankelijkheid als een natuurlijke cyclus onderdeel van de Dao, zoals seizoenen wisselen, zo komen en gaan levens. Zij hanteren het begrip Wu Wei: Door niet te vechten tegen verandering, stroom je mee met de natuurlijke orde. Dit brengt harmonie en vrede.

Binnen de opvattingen van moderne spiritualiteit is verbondenheid een belangrijk item. Alles is onderling afhankelijk en in beweging. Vergankelijkheid herinnert aan onze rol in het web van leven. Poëtisch vertaald: Vergankelijkheid is de nederige leraar die ons toevertrouwt: Jij bent niet de spin in het web, maar één draad in het eeuwige weefsel van leven. Wees zacht. Geef terug. Vertrouw de cyclus. Als we dit leren te begrijpen verschuift ons leven van consumptie naar participatie en dat zou onze primaire rol moeten zijn. Ook de ecologische roep om wijsheid doet ons beseffen dat ook menselijke beschavingen vergankelijk zijn en moedigt aan om onze aarde als levende entiteit te respecteren.

De transformatieve kracht van vergankelijkheid uit zich in vrijheid, want als niets blijft, hoeft niets vastgehouden te worden. Het uit zich ook in dankbaarheid, omdat dingen eindig zijn, worden ze kostbaar. Alleen in het nu kun je schoonheid ervaren die straks verdwenen is. Er bestaat een zogenoemde spirituele urgentie, namelijk het besef van eindigheid moedigt aan om te leven met doel en diepte. Vergankelijkheid bevrijdt doordat ze ons niets laat bezitten, zelfs onszelf niet. Hierdoor kunnen we alles ervaren zonder erdoor gevangen te worden. De vraag is alleen: durven we deze bevrijding toe te laten? Een Zen gedachte formuleert het als volgt: “De herfstbladeren vallen niet omdat ze sterven, maar omdat ze voltooid zijn. Hun vergankelijkheid is hun volmaaktheid “. Vergankelijkheid is uiteindelijk een poort naar eeuwigheid: door het tijdelijke volledig te omarmen, raken we de tijdloze essentie van het bestaan aan.


De herfstwind strijkt langs de takken, waardoor de esdoorn zijn laatste bladeren verliest. Ze dwarrelen neer, goud geel en roestrood en vleien zich neer op de vochtige aarde. Het proces van vergaan en ontbinding volgt. Het is geen tragedie, maar een heilig ritueel van terugkeer, zonder vernietiging, maar een transformatieve vorm van wederkeren naar de bron. Een lichaam, of het nu een mens, dier of boomblad betreft, vergaat door bacteriën, schimmels en insecten. Moleculen breken af tot mineralen en stikstof, koolstof en calcium worden voedingsstoffen voor nieuwe levensvormen. De dood voedt het leven.

Vergankelijkheid is de onzichtbare draad die door alles weeft. Het is het zachtjes vervagen van een herinnering, de rimpel welke zich manifesteert na een lach, het moment waarop een glas water uit je handen ontsnapt en in duizend scherven op de vloer ligt. Het is het besef, soms plotseling en onmenselijk, soms zachtjes kabbelend als een beekje, dat niets blijft. Niet ons lichaam, niet onze liefdes, niet onze successen, niet onze pijn. Deze fundamentele onvastheid van het bestaan, kan aanvankelijk als een bedreiging voelen. We bouwen muren van bezit, proberen om de toekomst te beheersen, houden vast aan een gekozen identiteit, maar diep van binnen weten we: het is zinloos. Maar toch blijven we bouwen uit angst voor de leegte die achter de muur schuilt. Maar die muur brokkelt altijd af. Steen na steen. En juist hierin schuilt de paradoxale bevrijding. Want wanneer we de vergankelijkheid werkelijk durven te aanschouwen, zonder vlucht, ontvouwt haar spirituele betekenis zich als een lotusbloem. Het leert ons loslaten. Het besef dat de mooie momenten zoals een zonsondergang, een emotionele omhelzing of de mystieke geluiden van een regenwoud, zo kostbaar zijn, juist door het feit dat ze voorbijgaan. Daarom verdient het onze scherpe aandacht. We leren daardoor aanwezig te zijn. In het ultieme nu. In de volheid van de ademhaling, in de textuur van dit licht op de muur, in het geluid van die ene vogel. Vergankelijkheid is de strenge, maar wijze leraar die ons onderricht in kijken, luisteren en voelen. Dit is het. Dit is het leven zelf, stromend door je vingers. Pak het niet vast, maar ervaar het. Vergankelijkheid ontmaskert onze illusies van controle en permanentie. We hechten ons aan ideeën van onszelf, aan bezittingen, aan relaties, alsof ze rotsen zijn in een levensstroom. Maar de vergankelijkheid toont dat het allemaal water is, constant stromend, steeds veranderend. Deze confrontatie kan voelen als leegte, maar is in werkelijkheid ruimte. Ruimte om niet langer te strijden tegen de natuur van het leven zelf. Ruimte om mee te stromen met de Dao, zoals de Taoïsten zeggen, in harmonie met de natuurlijke cycli van groei, verval en wedergeboorte. Het leert ons Wu Wei, handelen door niet te forceren. Spirituele tradities wereldwijd zien in deze vluchtigheid geen nihilisme, maar een boodschap van transcendentie. Het Christendom herinnert ons met Memento Mori aan onze sterfelijkheid, niet om angst aan te jagen, maar om ons te richten op wat eeuwigheidswaarde heeft, zoals liefde, compassie en genade.

De diepste laag van vergankelijkheid raakt aan het mysterie van het Zijn. In het volledig omarmen van het tijdelijke, raken we soms, heel vluchtig, het tijdloze aan. Net zoals de stilte tussen twee noten muziek maakt, zo openbaart het besef van eindigheid een achtergrond van eeuwigheid. In het zien van de leegte van de vorm, ontwaren we de vormloze volheid. Het is het besef dat terwijl de golven (ons individuele bestaan) constant komen en gaan, de oceaan (het Bewustzijn, God) altijd is. Onze ware natuur, suggereren mystici, is als die oceaan, ongeboren, ongedeeld en onvergankelijk. Het sterven van de golf is een terugkeer, niet een vernietiging.

Vergankelijkheid is daarom uiteindelijk een oefening in diepe liefde en radicale aanvaarding. Het vraagt moed om te leven met open handen, om te houden wetende dat afscheid ingebakken zit, om schoonheid te koesteren wetende dat ze weer vervaagt.

De esdoorn is nu helemaal kaal. Zijn bladeren vergaan in de aarde, worden humus en voeden nieuwe wortels. Er is geen sprake van verlies, alleen van transformatie. Zo gaat het met ons allemaal. Vergankelijkheid is geen doodsklok, maar de stille wijzer die ons wijst naar de eeuwigheid in het huidige moment. Het is de grond van onze dankbaarheid, de bron van onze aanwezigheid en de stille getuigen van een Licht dat, zelfs in het meest vluchtige herfstblad, nooit echt dooft. Want het Licht verdwijnt nooit, ook al vergaat de vorm die het draagt. We moeten niet treuren om het vallende, maar om te ontwaken in het zijn, in het hier en nu, in de heilige stroom van het voorbijgaande. Want alleen daar, in het hart van de verandering, vinden we de onvergankelijke stilte. Vergankelijkheid is de vluchtige vorm waarin de eeuwigheid zich ontvouwt als een bevrijdende dans van licht en loslaten. Die elk voorbijgaand moment tot een echo van het onvergankelijke maakt. Want in de zachte overgave aan wat vergaat, raakt de ziel aan wat altijd blijft.



de dag ontwaakt in gouden pracht

maar sluimert reeds naar nacht

wat bloeit in zonlicht, jong en zacht

verbleekt in schaduw, stil gebracht


een blad dat loslaat van de tak

door wind verjaagt op een dak

geen hand die tijd weer vast kan grijpen

geen stem die eeuwigheid kan schrijven


de spiegel toont een vaag portret

van wie men vroeger was

lijnen die woorden vermeden

van dagen die voorbij gleden


toch leeft in elk vervangend uur

een troost om pijn te verzachten

dat niets voor altijd hoeft te blijven

maakt beleving bewust in gedachte


een wolk die langzaam wordt ontweven

doet niets dan drijven in bestaan

geen wil, geen strijd, alleen gegeven

vergaan is slechts een andere baan


wat blijft is niet wat vast wil houden

maar wat beweegt in stille kracht

zoals een echo uit de hemel

verlicht in heldere sterrennacht


J.J.v.Verre.


vrijdag 1 augustus 2025

De Olielamp.

 

De spirituele betekenis van een olielamp: licht ontstaat alleen als iets zich opoffert. Olie wordt vuur, de lont verbrandt en zelfs het glas draagt de rooksporen. Zo zweeft jouw ziel tussen geven en ontvangen: een kwetsbare vlam, gevoed door alles wat je durft los te laten.


Als symbool van licht, tijd, offer en stilte, draagt ze een rijke symboliek in verschillende spirituele tradities. Geen voorwerp is zo nederig en zo heilig. Geen licht is zo menselijk als dit licht. Een vlam gevoed door offer, een schijnsel dat brandstof verbruikt om te bestaan, net zoals de ziel zich verteert om te stralen. De olie zwijgt. Ze geeft zich zonder geluid, laat zich opzuigen door de pit, wordt vuur, licht en warmte en verdwijnt weer. Zij herinnert ons: alle licht komt ergens vandaan. Een vlam leeft van iets dat zich laat verteren. Licht hoeft niets uit te leggen. Het spreekt door te bestaan. Door olie te worden tot glans. Door stilte te worden tot antwoord.


In het schijnsel van een eenvoudige olielamp schuilt een wereld die groter is dan het licht dat zij verspreidt. Een wereld van herinnering, devotie en innerlijke rust. De olielamp is geen pronkstuk van technologie, geen vlammende kracht als de zon, maar een tedere fluistering van licht. Een baken dat niet slechts duisternis verdrijft, maar ook de geest richting geeft. Niet het vuur schijnt het felst, maar de vlam die trouw brandt in stilte. Maar waar zou die vlam zijn zonder haar omhulsel? Het glas van de lamp is als de huid van de menselijke ziel, kwetsbaar, maar beschermend voor het vuur dat in hem leeft. Het is het doorzichtige wapen tegen wind en wanorde. Zonder glas zou de vlam doven bij de minste ademtocht van chaos. Wat vuur beschermt, is het stille schild waar licht in durft te leven. Het glas vervult een dubbele rol: het bewaart de vlam, maar laat ook haar warmte straling door. Het is dus niet slechts barrière, maar ook boodschapper. In zijn transparantie ligt een spirituele les: dat bescherming en openheid samen kunnen bestaan. Net als een mens die zich soms moet terugtrekken om zijn innerlijke vuur te behoeden, maar daardoor juist helder blijft stralen naar buiten. Glas dat niet blokkeert, maar draagt en draagt door, als een ziel die leert beschermen zonder te verbergen. Soms is het glas beslagen, door adem of tijd. Dan vervaagt het licht, niet omdat het minder is, maar omdat het zicht vertroebeld is. Dat herinnert ons eraan hoe makkelijk onze waarneming verstoord kan raken, net zoals de helderheid van geest ook onderhoud vraagt. Beslagen glas laat zien: zelfs licht moet onderhouden worden, wil het blijven spreken. In vele culturen is het ontsteken van een olielamp een handeling van diepe betekenis. De vingers die de lont aansteken doen meer dan alleen vuur laten ontbranden. Ze wekken een intentie. Of het nu gaat om een gebed, een meditatie, een eerbetoon aan het goddelijke of een innerlijke reflectie, het licht dat voortkomt uit olie en vuur is geladen met ziel. In elk vonkje leeft een gebed, een hoop die fluistert zonder stem.

De olie zelf, langzaam brandend en geurend naar een oude traditie, staat symbool voor voeding van binnenuit. Zoals de lamp zonder olie niet kan branden, zo kan de mens zonder spirituele voeding niet verlicht zijn. Het is een uitnodiging om onszelf te vullen met wijsheid, vrede en mededogen, om ons innerlijke reservoir te onderhouden, zodat het vuur van ons bewustzijn helder blijft branden. Een lichaam leeg van liefde dooft, als een lamp zonder olie.

De lont is bescheiden, maar essentieel. Zij zuigt de olie omhoog, vormt een brug tussen het materiële en het spirituele. Stil, geduldig vezel voor vezel. Zoals wortels water omhoog halen. Zoals adem zuurstof naar je longen brengt. De lont doet waar licht van leeft, het verbindt de diepte met de hoogte. Zonder hem blijft de olie verborgen als een onontgonnen schat. Zonder hem blijft licht een droom. In haar broze textuur schuilt het idee van overgave, namelijk wie zich verbindt met hogere waarden, brandt met betekenis. Niet in vernietiging, maar in transformatie. Het vuur dat haar consumeert, maakt haar tot licht. Jouw lont is datgene wat jouw innerlijke bron omhoog haalt, zoals een dagelijkse gewoonte, een moment van overdenking, een stukje muziek of iets simpels dat jou verbindt met wat je voedt. De lont offert zichzelf uiteindelijk op, laat zich door het vuur verteren om licht te kunnen geven. Dat zou toch ons hoogste doel moeten zijn, om iets van onszelf te geven en daarmee de wereld om ons heen te verlichten. Brand mij niet uit, maar laat mij gloeien in wat ik geef. Wanneer een olielamp brandt in stilte, is het alsof de tijd vertraagt. Het flikkeren nodigt uit tot stilstand en bezinning. Als de lamp begint te roken, danst de vlam onrustig en verduistert het licht. Dan moet de pit worden geknipt, om de verkoolde top  te elimineren. Anders verstikt de lont in zijn eigen as. In de golvende beweging van haar vlam zien we onze eigen gedachten weerspiegeld, soms rusteloos, maar in de juiste sfeer vredig wiegend. Het is een invitatie tot wakkerheid, tot aanwezigheid. Niet alleen kijken, maar zien. Niet alleen denken, maar voelen. De vlam danst zacht zoals de ziel beweegt als niemand kijkt. De olielamp leert dat spiritualiteit niet luid hoeft te zijn. Ze fluistert. Ze ademt zacht. Ze verlicht zonder te verblinden. En in die eenvoud ligt haar kracht. Want waar het uiterlijke vuur dooft, blijft het innerlijke licht bestaan. Als het vuur verdwijnt, blijft het licht achter in wie het zag.

Wanneer een olielamp brandt in stilte, glas glanzend in schaduw en vlam, dan is het geheel een miniatuur van de menselijke ervaring. Olie als voeding, lont als overgave, vuur als ziel en glas als bescherming. Elk onderdeel op zichzelf eenvoudig, maar samen een prachtig en heilig instrument van aanwezigheid.

De olielamp bezint zich spiegelend op zijn aanwezigheid en mompelt: jouw licht is gesmolten duisternis, jouw olie offert zich als brandstof, jouw lont laat zich tot as verteren, jouw glas draagt het roet als littekens van licht en toch blijft jouw vlam dansen, gevoed door wat zich geeft. Zo ben jij, een tijdelijke vlam die eeuwigheid proeft, zwevend op de adem van wat je durfde los te laten in de nacht. Zo wordt jij licht, door telkens te kunnen schenken wat je vasthield.  


Spirituele weerspiegeling van de olielamp als metafoor voor het menselijk bestaan:

- Jij bent de olie: je liefde, je moeite, je ervaringen, je dagelijkse leven.

- Jij bent de lont: je gerichte aandacht en intentie, je keuzes,

- Jij bent de vlam: je levendige bewustzijn, dat steeds verandert.

- Jij bent het glas: je fysieke aanwezigheid en levenspad, je kwetsbaarheid.

Je ziel vind je niet ergens, maar in hoe deze elementen samenkomen. In het branden zelf. In de warmte van verbinding. In de kwetsbaarheid van het glas en in de stilte tussen de vonken. Je ziel is nimmer een verloren voorwerp, maar is het licht dat verschijnt wanneer je volledig deelneemt aan je eigen bestaan. Je ziel vraagt geen vondst, maar erkenning: Je bent al het licht dat je zoekt en het brandt in elke cel die weet dat het licht is.


J.J.v.Verre.

dinsdag 29 juli 2025

Levitatie.

 

Want misschien zweven wij niet om weg te gaan, maar omdat de ziel, wanneer zij haar ware oorsprong herinnert, niet anders kán dan terugkeren naar het licht waaruit zij ooit stil werd geboren.



De spirituele betekenis van levitatie gaat veel verder dan het fysieke idee van zweven of gewichtloosheid. In spirituele en mystieke tradities wordt levitatie meestal symbolisch opgevat als uitdrukking van innerlijke zuiverheid, verlichting of transcendentie. Levitatie symboliseert het overstijgen van de aardse beperkingen, zoals het fysieke lichaam, het ego, begeerte en gehechtheid aan de aardse wereld. In deze zin is zweven een teken dat de ziel zich losmaakt van het zwaartepunt van het ik, de zwaarte van begeerte, van angst of trots en zich richt op het goddelijke of hogere zelf. In veel mystieke tradities, zoals het boeddhisme, hindoeïsme en christelijke mystiek, wordt levitatie toegeschreven aan heiligen, yogi’s of verlichte entiteiten. Het zweven symboliseert dan de innerlijke lichtheid van het hart, een ziel die vrij is van zonde, gehechtheid of karma. In het Tibetaans boeddhisme wordt gezegd dat zeer gevorderde monniken die mediteren licht worden als een veertje, zowel fysiek als symbolisch. Levitatie kan ook symbool staan voor een diepere eenheid met het universele bewustzijn of God. Het is het beeld van een ziel die niet langer begrensd is door natuurkundige wetten, omdat zij zichzelf volledig heeft afgestemd op een hogere orde. Levitatie is dan ook geen magie meer, maar een manifestatie van harmonie met de bron van alle zijn. In sommige mystieke verslagen, zoals bij heiligen als Franciscus van Assisi of Teresa van Ávila wordt levitatie niet gezocht, maar gebeurt het spontaan tijdens diepe gebedservaringen. Het wordt dan gezien als een uitdrukking van een vervoering van de ziel, waarin het lichaam als vanzelf wordt meegevoerd, als een fysieke weerspiegeling van een spirituele extase.

Levitatie, spiritueel gezien, is het beeld van een mens die zijn zwaarte loslaat. Die boven zichzelf uitstijgt, omdat hij zijn diepste centrum niet langer in het aardse, maar in het goddelijke vindt.

Er zijn momenten, zeldzaam maar werkelijk, waarop het lijkt alsof de zwaarte van het bestaan even wijkt. Alsof het hart, vrij van verlangen, geen gewicht meer draagt. In die stilte komt een ander beeld naar voren, het beeld van de ziel of het bewustzijn dat leviteert. Levitatie is dan geen wonder van de natuur, maar moet worden gezien als taal van de geest. Niet als het breken van de zwaartekracht, maar als het doorzien ervan. Wie zweeft, is niet weggelopen van de wereld, nee hij is juist dieper doorgedrongen tot haar oorsprong. Daar waar de dingen hun zwaarte verliezen en het licht hun dragende kracht wordt. Zweven is een symbool. Het is de taal van een mens die zichzelf is vergeten. Niet omdat hij verward is, maar omdat hij zich herinnert dat hij niet louter lichaam is, niet louter zijn denken en niet alleen angst. De zwevende mens is niet bovennatuurlijk, hij is doorzichtig geworden. Leeg van zichzelf en daardoor vol van iets anders. Iets groters, iets stiller.

In vele tradities zweven de wijzen. Niet om te vluchten, maar omdat zij geen houvast meer zoeken in wat voorbijgaat. Zij zijn losgeraakt van bezit, van roem, van oordeel en van verwachting. Hun ziel is stil geworden en wie stil is, wordt licht.

Moeten we dit nu letterlijk opvatten? Misschien. Maar belangrijker is de vraag wat dit alles nu betekent voor ons. Misschien zweven wij weliswaar niet fysiek, maar we kennen momenten waarop we ons lichter voelen. Een moment wanneer we iemand intens liefhebben zonder iets terug te vragen. Als we vol overgave iemand vergeven. Als we een belangrijk moment in ons leven bewuster dan ooit meemaken en dan het gevoel ervaren, even los van de grond te komen. Als we de stilte willen binnentreden en even niets meer willen zijn, behalve aanwezig. Dan, in dat subtiele moment, vindt een andere zwaartekracht ons. Geen die ons naar beneden trekt, maar die ons naar binnen leidt. Naar de kern, naar onze bron. Naar een punt waar hemel en aarde elkaar raken en waar de ziel niet stijgt om te ontsnappen, maar zweeft omdat ze thuiskomt. Want levitatie in spirituele zin is geen vlucht van de wereld, maar een aanraking met haar diepste waarheid, namelijk dat wij, in onze lichtheid, onsterfelijk en oneindig zijn. En misschien is het niet de zwaarte die ons bindt aan de aarde, maar het vergeten van het feit dat wij al konden zweven, niet met ons lichaam, maar met de ziel die zich herinnert waar het licht vandaan komt.


 De zwevende mens


mijn lijf ontvlucht zijn gewicht

alsof zwaarte zich schaamde

mij voortdurend vast te houden


aarde onder mij blijft achter

in verbazing rond het onverwachte

als lege vorm van het onbedachte


er is geen wil, geen streven

alleen de stilte die zich ontsluit

als een opening van binnenuit


lucht is geen plaats voor mij

als toestand van lichtheid

stilte en gekozen afscheid


waarin het denken oplost

als mist door de zon

zonder einde noch bron


licht dat zich herinnert

dat ik ooit mens was

in deze gekooide ruimte


de hemel is rondom mij

in mijn vederen bestaan

om vluchtig weg te gaan


zweven is een toestand

gedragen door oneindigheid

in licht dat mij omhoog leidt


pilaren van bewustzijn

dragen mij zonder last

ik zweef zeker en vast



J.J.v.Verre.




zondag 20 juli 2025

Thales van Milete.

Thales van Milete (ca. 624 v. Chr.- ca. 546 v. Chr.) was een van de eerste bekende Griekse filosofen. Hij was ook wiskundige en astronoom en ziener van de kosmos.


In de 6e eeuw voor Christus, aan de kust van Klein-Azië, ontwaakte een nieuw soort denken. Thales van Miletus was een burger van de bloeiende Griekse havenstad Milete, dat gelegen was in Ionië, het huidige Turkije. Hij wordt vaak beschouwd als de eerste filosoof in de Westerse traditie. Thales probeerde de wereld te verklaren zonder zich te beroepen op mythologie of goden, wat revolutionair was. Hij stelde dat water de oerstof (archê) van alles is. Alles is uit water voortgekomen en alles keert terug tot water. Maar waarom koos hij water als oerstof? Mogelijk vanwege de rol van vocht in het levende organisme. Observaties welke hij deed bij verdamping en regen. Water als verbindend element, niet alleen tastbaar zoals in zeeën en rivieren, maar ook als de fundamentele essentie waaruit al het leven voortkomt en waarin het samenkomt. In dat beeld past regen op een bijzonder symbolische en natuurlijke manier. Hoewel men in de tijd van Thales de moderne wetenschap van waterkringloop(verdamping – condensatie - neerslag) nog niet kende, zoals wij die nu kennen, zal hij wel geobserveerd hebben dat water uit bekkens verdwijnt(verdamping). Dat er wolken verschijnen en weer verdwijnen, dat regen het land bevochtigd, waarna planten gaan groeien. Vanuit een natuurfilosofisch perspectief kan regen dus worden gezien als een manier waarop water zich herverdeelt. Water stijgt op, keert terug, voedt en verbindt. In een wereldbeeld waarin de kosmos nog als een levende eenheid werd gezien, is regen ook letterlijk een brug tussen boven en beneden. Water stijgt op uit de zee of uit een plas, komt dan in de lucht( de hemel) en daalt neer als regen, die weer het land voedt, het leven wekt en de rivieren weer vult. Regen, dus water is een kringloop van verbinding. Tussen hemel en aarde, tussen zeeën en rivieren en tussen wolken en levende entiteiten. Als Thales sprak van water als het begin van alles, dan is regen een herinnering aan dat begin. Elke regenbui is als een echo van de oerstof die alles doordringt. Regen maakt dode grond weer levend, het is scheppend! Waar regen valt, ontstaat beweging, groei en verandering. Misschien stond Thales ooit in de heuvels van Milete, keek naar een opkomende storm boven zee en dacht: “Kijk daar keert het weer terug. De wereld spreekt in druppels. En alles wat leeft, herkent het geluid. “ Regen is de dans van water over het land en in het denken van Thales zou het een krachtig bewijs zijn geweest van hoe het ene element alle dingen doordringt, verbindt en tot leven wekt.

Thalus wordt ook gezien als de vader van de Griekse meetkunde en een soort brugfiguur tussen de praktische wiskunde van oudere culturen ( zoals Egypte en Babylon) en de rationele, abstracte benadering die later zo kenmerkend werd voor het Griekse denken. Volgens Herodotus en ook latere bronnen reisde Thales naar Egypte, waar hij leerde van Egyptische priesters en landmeters. In Egypte werd geometrie vooral toegepast bij het meten van landbouwgrond na de jaarlijkse overstromingen van de Nijl. Het maken van kaarsrechte lijnen, hoeken en eenvoudige constructies. En natuurlijk de metingen voor het bouwen van tempels en piramides. Hij leerde hoe je de hoogte van een object kan weten als je de lengte van de schaduw meet op een gegeven tijdstip (hoekmeting). Thales keek verder dan het praktische gebruik, want hij begon geometrische principes als universele waarheden te zien, los van de directe toepassing. Thales was waarschijnlijk de eerste die wiskundige beweringen logisch probeerde te bewijzen, in plaats van ze alleen te gebruiken. Volgens traditionele opvattingen o.a. via Proclus heeft hij als eerste de stelling bewezen dat de basishoeken van een gelijkbenige driehoek gelijk zijn. Dat een cirkel wordt doorsneden door haar middellijn. Dat de overstaande hoeken bij twee snijdende lijnen gelijk zijn. Ook de stelling van Thales, die stelt dat een driehoek ingeschreven in een cirkel waarvan één zijde een middellijn is, een rechthoekige driehoek is. Deze stellingen lijken eenvoudig, maar ze tonen aan dat ruimte en vormen begrijpelijk zijn via logica, niet enkel observatie of ervaring. Hiermee bedoel ik, dat vóór de tijd van Thales, de mensen vormen en ruimte begrepen door wat ze zagen of deden. Een metselaar wist dat hoeken van 90 graden belangrijk zijn, omdat het werkte in de praktijk. Een Egyptische landmeter gebruikte touwen en knopen om driehoeken te maken, gebaseerd op ervaring. De ervaring zegt: ”Als ik dit zo doe, dan past het”. Maar dat is geen verklaring, maar het is weten dát iets werkt, niet waarom het werkt. Thales begon voor het eerst na te enken in termen van universele redenaties. Hij vroeg zich af: “Kan ik bewijzen dat twee hoeken altijd gelijk zijn, ongeacht hoe groot of klein een driehoek is?” Zijn antwoord kwam niet uit het meten van stenen of tekenen op het harde zand, maar uit het redeneren met abstracte vormen en begrippen. Dat was de geboorte van de wiskunde als wetenschap. Thales bracht wiskunde van ambacht naar wetenschap. Hij liet zien dat vormen van de wereld begrepen kunnen worden door het denken zelf, via logica, deductie naar bewijs. Als het bewijs is geleverd hoef je niet telkens opnieuw te meten of te experimenteren. Want je kunt de universele wetten van de ruimte ontdekken die overal binnen ons universum gelden.

Hoewel Thales vooral bekend staat als de eerste rationele denker, zit er ook een spirituele onderstroom in zijn wereldbeeld. Zijn filosofie is niet spiritueel in de zin van rituelen of godsdienst, maar wel in een oer filosofische zin, dat wil zeggen het is een zoektocht naar de diepere eenheid, ordening en levendigheid van de kosmos. Zijn uitspraak: “Alles is water “, klinkt misschien als natuurwetenschap, maar het is ook een diep spiritueel idee van eenheid. Alles wat bestaat, komt uit één bron. Het zichtbare is slechts een verschijningsvorm van een onderliggend principe. Die oerstof, water, is niet zomaar materie, maar de drager van leven, van verandering en samenhang. In spirituele tradities zie je vaak dezelfde gedachten terug: één oorsprong en veel verschijningsvormen. Zoals brahman in het hindoeïsme of Tao in het taoïsme. Volgens Aristoteles zou Thales ook hebben gezegd: “Alles is goden “. Dat betekent niet dat hij geloofde in Zeus of Apollo als personen, maar dat hij dacht dat de kosmos een levend geheel is. Dingen zijn niet dood of inert, maar ze hebben een soort levensadem of innerlijk beginsel. Misschien zal hij hebben gedacht aan een vorm van ziel in de natuur, of aan een innerlijke drang tot beweging, tot vorming. Voor Thales was de wereld geen mechanische machine, maar een levend, voelend en samenhangend geheel. Een gedachte die ook in het animisme, stoïcisme en in het heden ook bij de moderne ecologie terugkeert. Spiritueel zou je Thales als ziener van de kosmos kunnen beschouwen.


                                     Thales, de waterdenker.

                                                            


lang voor Schriftgeleerden wetten schreven

voordat Plato’s grotten schaduwen zagen

zat een man aan de rand van de Egeïsche zee

ogen vol sterren en handen vol water


hij vroeg niet naar Zeus of Apollo

maar naar dat wat alles draagt

niet naar de wil van al die goden

maar naar het stille begin


water, zo sprak hij

niet als bijgeloof, maar als bron

voor de wereld en het heelal

een gedachte waar stroom begon


mat schaduwen van piramiden

om licht te begrijpen

telde hoeken in stilte

zonder getallen, maar met inzicht


zo werd zijn denken een gebed

zijn meetlijn een loflied

zijn vragen een bedevaart

naar het hart van mens-zijn


toen de zon zich hulde in schaduw

de hemel even ophield te zijn

sprak hij de uitgelezen woorden

let op, de wereld spreekt in patronen


ze lachten om zijn val in een put

de man met zijn hoofd in de hemel

lachte zelf ook met voeten in modder

want zelfs de val heeft een richting


hij keek naar de sterren

niet om de toekomst te lezen

maar om te begrijpen hoe licht

door het duister snijdt



hij was geen dichter

maar dichtte met denken

geen priester van goden

maar het eeuwige ongekende


wat hij ons achterliet

geen marmer of troon

maar het sterke vermoeden

de wereld is kenbaar, gewoon


wat blijft van hem is geen graf

maar de elementaire vraag

waarmee begon dit alles

in elke druppel water verstopt


de zee, die steeds bleef komen

golven als ritme van herinnering

aan hem die zag dat weten

een vorm van eerbied kan zijn


J.J.v.Verre.

 

zaterdag 12 juli 2025

De vier vragen van Kant.

 

                                        Immanuel Kant ( 1724-1804 ).


De vier grote vragen van Immanuel Kant(1724-1804) zijn fundamenteel voor zijn filosofie en voor het denken over de menselijke conditie. Ze zijn te vinden in het werk Logik, een handboek voor lezingen, dat in 1796 werd gepubliceerd. Het is een samenvatting van colleges die Kant gaf over logica en is samengesteld door zijn studenten. Dus, hoewel het niet een oorspronkelijk werk is van Kant is het wel een belangrijke bron voor zijn logische opvattingen. In 1770 stelde Kant zich de opgave het ultieme antwoord te geven op drie vragen: Wat kan ik weten? Wat moet ik doen? Waarop mag ik hopen? Pas elf jaar later zou het antwoord volgen. In de Kritiek van de zuivere rede brengt hij een scheiding aan in het kenbare en het onkenbare door de mogelijkheidsvoorwaarden van het kenbare te formuleren. De reden om dit essay over de vier vragen van Kant te schrijven is het feit dat ik werd geïnspireerd door de artikelen welke ik las in het tijdschrift Filosofie Magazine, waar schrijvers en filosofen werden gevraagd om te responderen op de vragen van Kant.

De vier grote vragen van Kant zijn een reflectie op de grondslagen van de menselijke rede. Immanuel Kant, een van de invloedrijkste denkers in de westerse filosofie, vatte de kern van zijn denken samen in vier fundamentele vragen: Wat kan ik weten? Wat moet ik doen? Wat mag ik hopen? Wat is de mens? Deze vragen vormen niet alleen de leidraad van zijn filosofisch systeem, maar raken ook aan de diepste lagen van het menselijk bestaan. In het volgende verken ik elk van deze vragen aan de hand van Kants eigen antwoorden en laat ik zien hoe deze samenkomen in een diepgaande visie op de mens als redelijk en moreel wezen. Daarnaast wil ik proberen om een eigen antwoord te formuleren.

Wat kan ik weten? Volgens Kant is de menselijke kennis begrensd. Wij kunnen slechts weten wat binnen de grenzen van ervaring en rede valt. In zijn Kritiek van de zuivere rede maakt hij een scherp onderscheid tussen fenomenen (de wereld zoals die aan ons verschijnt) en noumena (de dingen op zichzelf, los van onze waarneming). Onze kennis is beperkt tot de fenomenale wereld, omdat onze waarneming en ons verstand actief meebepalen hoe de werkelijkheid voor ons verschijnt. Ruimte en tijd en categorieën zoals causaliteit zijn geen eigenschappen van de wereld op zichzelf, maar structuren van ons bewustzijn. Wat we dus zeker kunnen weten, betreft de natuurwetten en de empirische werkelijkheid. Metafysische onderwerpen zoals God, de ziel of bewustzijn, de vrijheid blijven buiten het bereik van de zuivere rede. We kunnen er over denken, maar geen sluitend bewijs leveren.

Wat moet ik doen? Kants ethiek is gebaseerd op de autonomie van de rede. In de Kritiek van de praktische rede stelt hij dat het morele handelen niet voortkomt uit gevoelens, belangen of gevolgen, maar uit de plicht die het verstand zichzelf oplegt. De centrale richtlijn hiervoor is de zogenaamde categorische imperatief: “Handel alleen volgens die maxime waardoor je tegelijk kunt willen dat zij een algemene wet wordt.” Volgens Kant moeten we handelen uit plicht en niet slechts in overeenstemming met de plicht. Alleen dan is ons handelen werkelijk moreel. De mens wordt hier opgevat als vrij wezen in morele zin, dat wil zeggen hij is in staat zichzelf morele wetten voor te schrijven, los van zijn natuurlijke neigingen.

Wat mag ik hopen? Hoewel metafysische kennis over God of onsterfelijkheid niet mogelijk is, maakt Kant ruimte voor hoop in het domein van de praktische rede. In ons morele handelen gaan we ervan uit dat vrijheid mogelijk is en dat het goede uiteindelijk beloond wordt. Om deze morele orde zin te geven, postuleert Kant het bestaan van God en de onsterfelijkheid van de ziel niet als empirische zekerheden, maar als noodzakelijke aannames om moreel handelen betekenis te geven. Wat wij dus mogen hopen, is het hoogste goed, namelijk de harmonieuze eenheid van deugd en geluk. Deze hoop is geen kennisclaim, maar een redelijke verwachting die geworteld is in onze morele ervaring.

Wat is de mens? Deze vierde vraag vat alle voorgaande vragen samen. De mens is het wezen dat kan weten, handelen en hopen. Hij staat op het kruispunt van natuur en rede, van noodzakelijkheid en vrijheid. Kant beschouwt de mens als zowel een object van kennis, als subject van moraal. Waarbij de mens als object, maar ook als wezen onderdeel is van de natuur en dus onderworpen is aan natuurwetten. Als moreel subject stelt de mens zichzelf doelen, geeft hij zichzelf wetten (autonomie) en handelt niet alleen uit instinct of gewoonte. Deze vrijheid is niet willekeurige keuzevrijheid, maar de morele vrijheid om het goede te doen, zelfs als dat tegen onze neigingen in gaat. In deze synthese ligt Kants visie op de menselijke waardigheid besloten: de mens is geen middel tot een doel, maar een doel op zich. Zijn redelijkheid en zijn vermogen tot moreel handelen maken hem uniek. Daarom staat de vraag “Wat is de mens?” centraal in de filosofie en vormt zij de spil waar de andere drie vragen om draaien.

Kants vier vragen zijn als bakens in de zee van het menselijk denken, helder en streng, maar niet koud. Ze wijzen ons niet slechts op de grenzen van ons kunnen, maar ook op de grootsheid die schuilt in ons streven. In het antwoord op wat wij kunnen weten, klinkt de nederigheid van de rede. In wat wij moeten doen, de stem van het geweten. In wat wij mogen hopen, het fluisteren van een onzichtbare orde. Tenslotte wat de mens is, de echo van een ondoorgrondelijk mysterie dat zichzelf probeert te begrijpen.

De mens, in Kants ogen, is geen machine onderworpen aan natuurwetten, noch een goddelijk wezen verheven boven alles. Hij is een overgang, een brug tussen noodzaak en vrijheid, tussen het stoffelijke en het morele. In hem ontwaakt het vermogen om zichzelf te bepalen, om waarheid te zoeken, om goed te willen zijn, zelfs zonder zekerheid omtrent beloning.

Zo blijven Kants vragen niet steken in abstractie, maar spreken zij tot wat het meest menselijk in ons is: het verlangen naar waarheid, onze plicht tot rechtvaardigheid, ons hoopvolle hart. In een wereld vol met snelle veranderingen, blijven deze vragen als sterren aan de hemel van de rede, niet omdat zij alle antwoorden geven, maar omdat zij ons uitnodigen om waarachtig mens te zijn. Misschien is de mens, in zijn eindigheid en onrust, niet slechts een zoeker naar waarheid, maar meer een vraag van het universum aan zichzelf. Een prille vonk van bewustzijn, op weg naar het begrijpen van zijn oorsprong in het oneindige.


J.J.v.Verre.