- De duivel
De duivel is een concept dat in veel religies, filosofieën en culturele tradities een belangrijke en vaak centrale rol speelt. In het christendom wordt de duivel vaak gezien als een gevallen engel, meestal geïdentificeerd met lucifer, die in opstand kwam tegen God. Hij wordt geassocieerd met kwaad, zonde en verleiding. In de Bijbel wordt hij onder andere genoemd in het verhaal van de verzoeking van Jezus en in de Openbaring als de tegenstander van God. In de islam wordt de duivel aangeduid als Iblis of Shaytaan, een djinn die weigerde voor Adam te buigen en daarom werd verstoten. Een djinn wordt verondersteld een bovennatuurlijk onzichtbaar wezen te zijn, dat volgens sommige islamitische geleerden bezit kan nemen van mensen en ze van hun vrije wil kan beroven. Samen met mensen en engelen zijn djinns volgens de Koran de drie levensvormen met een bewustzijn gemaakt door Allah. Hij wordt gezien als een misleider en verleider die probeert de mens van het rechte pad te brengen. Tijdens de hadj, de bedevaart naar Mekka en Medina, is de steniging van de duivel een belangrijk ritueel. Gelovigen gooien stenen naar de duivel, om hem te tonen dat hij hen onmogelijk van het rechte pad zal kunnen afleiden. Het stenigen van de duivel tijdens de hadj is een religieuze plicht. De pelgrim laat Satan geen ruimte om door te dringen in de ziel, waar die immers maar één doel bij voor ogen heeft: Godsplannen dwarsbomen. De pelgrim moet de rite eigenhandig uitvoeren en de drie zuilen met zeven kiezels raken, anders is de hadj niet compleet.* In het jodendom is het beeld van de duivel minder prominent aanwezig. Het concept van Satan in de Hebreeuwse Bijbel verwijst eerder naar een aanklager of tegenstander, iemand die door God is aangesteld om mensen te testen.
De duivel wordt vaak gebruikt als een symbool voor het kwaad, morele zwakte of de strijd tussen goed en kwaad. Hij wordt afgebeeld in verschillende vormen, zoals een zwarte engel met bokkenpoten, hoorntjes, puntige staart, vleermuisvleugels en met een drietand. Ook vaak als slang of als een verleider met menselijke eigenschappen. In sommige filosofische tradities wordt de duivel gezien als een representatie van menselijke verlangens, egoïsme of de worsteling met morele keuzes. In kunst, literatuur en muziek wordt de duivel vaak gebruikt als een krachtig symbool. Als voorbeeld van literaire werken moet zeker “De Goddelijke Komedie” (La Divina Commedia) van Dante Alighieri worden genoemd. In dit epische gedicht uit de 14e eeuw reist de hoofdpersoon door de hel, het vagevuur en de hemel. De duivel (Lucifer) wordt afgebeeld in het diepste deel van de hel, waar hij verantwoordelijk is voor het straffen van verraders. Ook “Faust” van Johann Wolfgang von Goethe is het vermelden waard. Dit toneelstuk vertelt het verhaal van Dr. Faust, die een pact sluit met Mefistofeles (de duivel) om kennis en wereldse genoegens te verkrijgen in ruil voor zijn ziel. Het epische gedicht “Paradise Lost” van John Milton uit de 17e eeuw, beschrijft het christelijke verhaal van de zondeval van de mens: de verleiding van Adam en Eva door de gevallen engel Satan en hun verdrijving uit de Hof van Eden (het paradijs). In de vele volksverhalen wordt de duivel afgeschilderd als een sluwe en listige figuur die probeert mensen te verleiden door hen rijkdom of macht te beloven in ruil voor hun ziel. Deze werken tonen hoe de duivel vaak wordt gebruikt als symbool voor het kwaad, verleiding en morele dilemma’s in de literatuur. Augustinus van Hippo (354-430), een van de meest invloedrijke kerkvaders in het christendom, had een complexe en diepgaande visie op de duivel. Zijn opvattingen over de duivel zijn vooral te vinden in zijn werken zoals “De Civitate Dei”(De Stad van God) en “Confessiones”(Belijdenissen). Augustinus zag de duivel oorspronkelijk als een van de hoogste engelen, Lucifer, die door trots en hoogmoed tegen God in opstand kwam. Deze rebelse houding leidde tot zijn val uit de hemel en zijn transformatie in de duivel, de tegenstander van God. Augustinus benadrukte dat de duivel en de andere gevallen engelen hun val te danken hadden aan hun eigen vrije wil. Ze kozen ervoor om tegen God te rebelleren, wat een centrale rol speelt in Augustinus begrip van het kwaad. Augustinus stelde dat het kwaad geen zelfstandige entiteit is, maar een afwezigheid of gebrek aan goedheid (privatio boni).De duivel, als belichaming van het kwaad, is dus niet een onafhankelijke macht, maar een schepsel dat zich van God heeft afgekeerd. De duivel speelt een cruciale rol in de verleiding van mensen tot zonde. Augustinus geloofde dat de duivel de mensheid probeert te misleiden en weg te leiden van God, zoals blijkt uit het verhaal van de zondeval in de Hof van Eden. Augustinus ontwikkelde de doctrine van de erfzonde, die stelt dat alle mensen geboren worden met de zonde van Adam en Eva. De duivel speelde een sleutelrol in deze eerste zonde door Eva te verleiden en zijn invloed blijft aanwezig in de wereld. Ondanks de macht van de duivel benadrukte Augustinus de overmacht van Gods genade. Hij geloofde dat alleen door Gods genade mensen gered kunnen worden van de gevolgen van de zonde en de invloed van de duivel. Augustinus geloofde in een uiteindelijke overwinning van God over de duivel. Tijdens het Laatste Oordeel zou de duivel definitief worden verslagen en veroordeeld tot de eeuwige straf. In “De Civitate Dei” introduceert Augustinus het concept van twee steden: de Stad van God (Civitas Dei) en de Stad van de Mens (Civitas Terrena). De duivel is heerser van de Stad van de Mens, die gekenmerkt wordt door zonde en afwijzing van God, terwijl de Stad van God bestaat uit degene die God trouw blijven.
Thomas van Aquino (1225-1274), een van de belangrijkste theologen en filosofen van de middeleeuwen, had een diepgaande en systematische visie op de duivel. Zijn opvattingen over de duivel zijn vooral te vinden in zijn magnum opus, de “Summa Theologica “. Hier zijn de volgende aspecten van belang, die zijn visie op de duivel verduidelijken. Net als Agustinus zag Thomas de duivel oorspronkelijk als een van de hoogste engelen. Ook hij benadrukte dat de duivel en andere gevallen engelen hun val te danken hadden aan hun eigen vrije wil. Ook Thomas accepteerde de doctrine van de erfzonde en de overmacht van Gods genade. Thomas beschreef de duivel als een wezen met een hoog intellect en een sterke wil, maar deze zijn gericht op het kwaad. De duivel gebruikt zijn intellect om mensen te misleiden en zijn wil om hen tot zonde aan te zetten. De duivel kan alleen handelen binnen de grenzen die God heeft gesteld en kan geen schepselen creëren of de vrije wil van mensen volledig overnemen. Ook Thomas geloofde in een uiteindelijke overwinning van God over de duivel. Thomas beschreef de hel als een plaats van eeuwige straf voor de duivel en de gevallen engelen, evenals voor de zondaars onder de mensen. Deze straf is zowel een geestelijke als lichamelijke ervaring van afwezigheid van God en eeuwige pijn. Ook Meister Eckhart, de Middeleeuwse mysticus, had een meer metaforische kijk op de duivel, waarbij hij hem beschouwde als een staat van afgescheiden zijn van God, in plaats van een letterlijk wezen.
Filosofen zoals Friedrich Nietzsche en Sören Kierkegaard hebben het concept van de duivel gebruikt om vragen over moraliteit, vrijheid en het kwaad te onderzoeken. Nietzsche sprak bijvoorbeeld over het concept van “het kwaad” als een morele constructie die door de samenleving wordt opgelegd. Hoewel Nietzsche niet specifiek over de duivel als een wezen sprak, bekritiseerde hij het christelijke concept van goed en kwaad en daarmee impliciet ook het idee van een duivel
De Spirituele Filosofie benadert het concept van de duivel op diverse manieren, afhankelijk van de culturele, religieuze en filosofische context. In veel spirituele tradities wordt de duivel gezien als een symbool van het kwaad, verleiding en moreel verval. Hij vertegenwoordigt de tegenpool van het goede en wordt vaak geassocieerd met chaos, destructie en zonde. In dualistische filosofieën, zoals het Zoroastrisme en bepaalde gnostische stromingen, wordt de wereld gezien als een strijd tussen twee tegengestelde krachten: goed en kwaad, licht en duisternis. De duivel wordt hier vaak gezien als de belichaming van het kwaad, in voortdurende strijd met het goede. In meer psychologisch georiënteerde spirituele filosofieën, zoals die van Carl Jung, wordt de duivel gezien als een archetype dat de innerlijke strijd en schaduwkanten van de menselijke psyché vertegenwoordigt. Het gaat hier om het integreren van deze schaduwkanten om tot een heel en evenwichtig zelf te komen. In veel religieuze tradities, zoals bij het eerder besproken christendom, wordt de duivel gezien als een verleider die mensen test en uitdaagt om morele keuzes te maken. Dit benadrukt het belang van vrije wil en persoonlijke verantwoordelijkheid op de weg naar spirituele ontwikkeling. In sommige Oosterse filosofieën, zoals het Boeddhisme en Hindoeïsme, wordt het concept van de duivel niet zozeer als een externe entiteit gezien, maar meer als een manifestatie van onwetendheid (avidya) en illusie (maya). Het kwaad wordt hier begrepen als het resultaat van onwetendheid en het niet begrijpen van de ware aard van de werkelijkheid. In esoterische en mystieke tradities kan de duivel ook worden gezien als een katalysator voor spirituele groei en transformatie. Door confrontatie met het kwaad en het overwinnen van verleidingen kan de spirituele zoeker groeien in wijsheid en kracht. In non-dualistische filosofieën, zoals Advaita Vedanta, wordt het onderscheid tussen goed en kwaad uiteindelijk gezien als een illusie. De duivel, net als alle andere verschijnselen, wordt begrepen als een manifestatie van het Ene en de ultieme realiteit transcendeert dualiteiten. Hiermee wordt bedoeld dat de diepste, fundamentele aard van de werkelijkheid (de ultieme werkelijkheid) zich bevindt buiten of boven de tegenstellingen en tweedelingen die wij in ons dagelijks leven ervaren. In ons gewone bewustzijn ervaren we de wereld vaak in termen van tegenstellingen: goed en kwaad, ik en de ander, subject en object, leven en dood. Deze dualiteiten vormen de basis van hoe we de wereld begrijpen en categoriseren. De “ultieme realiteit” verwijst naar de diepste, onveranderlijke essentie van alles wat bestaat. In veel spirituele tradities wordt dit gezien als een eenheid die niet kan worden verdeeld of beperkt door concepten, labels of tegenstellingen. Het is vaak omgeschreven als Brahman (Hindoeïsme), Nirvana (Boeddhisme), God (in mystieke tradities) of het Absolute. Het idee dat de ultieme realiteit transcendeert, betekent dat deze realiteit zich bevindt voorbij de tegenstellingen die we normaal gesproken ervaren. Het is niet “goed” of “kwaad”, niet “ik” of “jij “, niet “dit” of “dat “. Het is een eenheid die alle schijnbare tegenstellingen omvat en overstijgt. Kortom, de spirituele filosofie ziet de duivel vaak als een complex symbool dat verschillende aspecten van het menselijk bestaan en de spirituele reis belichaamt, van morele keuzes en innerlijke strijd tot het uiteindelijk overstijgen van dualiteit.
J.J.v.Verre.
Bronvermelding:
- Djinn (mythisch wezen ), Wikipedia.
- Augustinus van Hippo -Theoloog en kerkvader, Jona Lendering, 28-8-2016, historiek.net
- Satan/ De duivel volgens de Bijbel, bijbel.eo.nl
- *Uit: De duivel bestaat niet in alle culturen, het kwaad wel. Ewout Klei,26 juni 2024, dekanttekening.nl.*
De Duivel.
uit mij werd verdreven het kwaad en de pijn
een vlam in het donker, onzichtbaar en rein
hij fluisterde zacht, een verleidelijk lied
echo van verlangen, schaduw van verdriet
zijn ogen vol vuur uit de diep zwarte zee
bood gouden dromen, maar tegen welke fee
met handen van rook, een glimlach van list
verdraaide waarheden in slaap gesust
wandelt in stilte, langs wegen van strijd
aanwezigheid voelbaar en nimmer kwijt
spiegel van zwakte, een test voor de ziel
een duivel vraagt niet meer dan een deal
in zijn schaduw groeit licht in mij voort
kracht om te kiezen, het pad dat mij hoort
zijn macht is groot in een eindeloos spel
maar een duivel belooft niets zonder hel
------
Geen opmerkingen:
Een reactie posten