-Het "niets" dat in potentie alles kan worden.
In de filosofie is “niets” een concept dat door verschillende denkers op verschillende manieren is benaderd en geïnterpreteerd. Het idee van “niets “ kan een aantal verschillende betekenissen en implicaties hebben, afhankelijk van de context. Het roept fundamentele vragen op over de aard van bestaan, realiteit en menselijk begrip. Hierbij wil ik in het kort een filosofische schets weergeven omtrent de historie van wat bekende denkers over het begrip “niets “ hebben geschreven.
Parmenides(515- ? v.Chr.), een pre-Socratische filosoof stelde dat “niets “ niet kan bestaan. Hij geloofde dat verandering en beweging illusies zijn en dat het universum een onveranderlijk en eeuwig “zijn “ is. Het “niets “ kan niet bestaan omdat het denken en het zijn samenvallen. Wat niet is, kan niet worden gedacht. Ook Heraclitus( 540-480 v. Chr.) benadrukt in contrast met Parmenides, de voortdurende verandering en flux in de wereld. Het “niets “ kan hier worden gezien als een staat van voortdurende verandering en het ontbreken van permanente entiteiten. Ook Aristoteles(384-322 v.Chr.) had deels dezelfde opvatting als Parmenides en in zijn werk “ Fysica “ bespreekt hij dit idee van “niets” in de context van verandering en beweging. Aristoteles stelde dat “niets” niet echt kan bestaan, omdat alles wat bestaat, een vorm van “zijn” heeft. Hij geloofde dat verandering altijd plaatsvindt van iets naar iets anders en dat er geen absolute leegte of “niets” kan zijn. Aristoteles verwierp het idee van een absoluut niets, zoals voorgesteld door sommige van zijn voorgangers, zoals Parmenides. In plaats daarvan stelde hij dat er altijd een onderliggende substantie of materie is die verandert en dat “niets “ slechts een concept is dat we gebruiken om de afwezigheid van bepaalde eigenschappen of vormen te beschrijven. In zijn metafysica benadrukt Aristoteles dat “niets “ geen zelfstandige realiteit heeft, maar eerder een afwezigheid van “zijn “ is. Hij verwerpt dus het idee van een absoluut vacuüm. Hij geloofde dat ruimte altijd gevuld was met enige substantie of entiteit en dat er geen absoluut lege ruimte kon bestaan. In zijn metafysica introduceert hij de concepten van potentie(mogelijkheid) en act(werkelijkheid). Voor Aristoteles was “niets “ iets dat geen potentie had om te bestaan. Hij stelde dat alles in het universum bestaat uit vorm ( de essentie van iets ) en materie ( de stof waarin de vorm aanwezig is ). Het bestaan van iets zonder vorm of materie was voor hem onmogelijk. Aristoteles geloofde dat beweging en verandering altijd een transformatie van “iets “ naar “iets anders “ betekende en nooit van “niets” naar “iets”. Deze opvattingen hebben een diepe invloed gehad op de filosofie en wetenschap, zelfs tot heden toe. Augustinus ( 354-430 na Chr.) besprak het concept van het “niets” in de context van de schepping. Hij stelde dat God de wereld schiep uit het niets, wat impliceert dat het “niets” een soort van potentieel of afwezigheid is. In filosofische termen kan “afwezigheid” worden opgevat als het ontbreken van fysiek bestaan, er was geen materiële wereld, geen ruimte, geen tijd, geen elementen, letterlijk niets. Sommige oude filosofieën, zoals die van de Griekse mythologie, suggereerden dat de wereld voortkwam uit een chaotische oer toestand. Augustinus verwierp dat idee en betoogde dat er geen oerstaat was; er was alleen het goddelijke en het absolute niets. Afwezigheid betekent niet dat “niets” een kracht of entiteit is. In plaats daarvan impliceert Augustinus dat alle potentie om te creëren lag in God zelf. Dit sluit aan bij zijn visie op God als bron van al het bestaan. Voor Augustinus was “het niets” geen actieve kracht of toestand, maar eerder een beschrijving van de absolute afwezigheid van alles wat bestaat, voordat God handelde om het universum te scheppen. Thomas van Aquino ( 1225 – 1274 ) bouwde voort op Augustinus ideeën en besprak het “niets” in relatie tot het zijn. Hij stelde dat het “niets” de afwezigheid van zijn is en alleen God het zuivere zijn is. René Descartes (1596-1650) benadrukt het belang van twijfel en het denken. Het “niets” kan worden gezien als de staat van radicale twijfel, waarin alles in vraag wordt gesteld. Friedrich Wilhelm Leibniz (1646-1716 ), een Duitse filosoof en wiskundige die de vraag stelde: “Waarom is er iets en niet niets?” Deze vraag heeft geleid tot veel filosofische discussies over het bestaan en de aard van het universum. Immanuel Kant (1724-1804) introduceerde het concept van het “ding an sich”(het ding op zichzelf), dat onkenbaar is. Het “niets” kan hier worden geïnterpreteerd als de grenzen van menselijke kennis en ervaring. Kant onderscheidde vier verschillende soorten "niets". Nihil privativum, dit is het niets in de zin van de afwezigheid van iets dat normaal gesproken aanwezig zou moeten zijn. Bijvoorbeeld, duisternis is de afwezigheid van licht. Nihil negativum, dit is het absolute niets, dat geen enkele realiteit of mogelijkheid van bestaan heeft. Het is een conceptueel niets dat niet kan bestaan in de werkelijkheid. Nihil purum, dit is het zuivere niets, dat geen enkele eigenschap of substantie heeft. Het is een abstract concept dat niet in de fysieke wereld kan bestaan. Nihil imaginarium, dit is het denkbeeldige niets, dat alleen in de verbeelding bestaat en geen basis heeft in de werkelijkheid. Kants benadering van het niets was dus veelomvattend en diepgaand, waarbij hij verschillende soorten niets onderscheidde op basis van hun relatie tot de werkelijkheid en het denken. Friedrich Nietzsche (1844-1900) sprak over het “niets” in de context van nihilisme, de ontkenning van betekenis en waarde in het leven. Nietzsche zag nihilisme als een onvermijdelijk gevolg van de afname van religieus geloof en traditionele waarden in de moderne samenleving. Hij waarschuwde voor de gevaren van nihilisme en pleitte voor het creëren van nieuwe waarden en betekenissen, om de leegte te vullen die was ontstaan door het verlies van traditionele waarden. Martin Heidegger(1889-1976) heeft het “niets” uitgebreid behandeld in zijn werk “Wat is metafysica?”. Hij stelde dat het “niets” niet simpelweg de afwezigheid van iets is, maar een fundamenteel aspect van het zijn zelf. Het “niets” maakt het mogelijk om het zijn te begrijpen, omdat het ons confronteert met de grenzen van ons begrip en onze ervaring en omdat het de achtergrond vormt tegen welke het zijn zich aftekent. Heidegger introduceerde het concept van "angst" als een existentiële ervaring die ons in direct contact brengt met het niets. In momenten van angst worden we geconfronteerd met de leegte en betekenisloosheid van het bestaan, wat ons dwingt om na te denken over de aard van het zijn. Volgens Heidegger onthult het niets de grondslag van het zijn. Door het niets te ervaren, worden we ons bewust van de contingentie en eindigheid van ons bestaan, wat ons in staat stelt om authentieker te leven. Heidegger bekritiseerde de wetenschap omdat deze zich uitsluitend richt op het zijnde ( de dingen die bestaan) en het niets negeert. Hij geloofde dat een diepere filosofische benadering nodig is om de fundamentele vragen over het zijn en het niets te begrijpen. Jean-Paul Sartre(1905-1980), een existentialist, besprak het “niets” in relatie tot menselijke vrijheid en angst. Hij stelde dat het “niets” een essentieel onderdeel is van de menselijke ervaring, omdat het de mogelijkheid van keuze en verandering vertegenwoordigt. In de analytische filosofie wordt het “niets” vaak besproken in de context van logica en taal. Filosofen als Bertrand Russell(1872-1970) en Ludwig Wittgenstein (1889-1951) hebben het concept geanalyseerd in termen van logische structuur en betekenis. Postmoderne denkers zoals Jacques Derrida(1930-2004) hebben het “niets” benaderd vanuit de deconstructie van traditionele metafysische concepten. Het “niets” wordt hier gezien als een destabiliserende kracht die vaste betekenissen ondermijnt. Het concept van het “niets” heeft door de geschiedenis heen verschillende interpretaties gekregen, van een metafysische afwezigheid tot een existentiële ervaring. Het blijft een centraal thema in de filosofie, dat uitnodigt tot diepgaande reflectie over de aard van het zijn, de kennis en de menselijke ervaring.
Je kunt ook globaal het concept van het “niets” op een andere manier filosofisch benaderen. In de ontologie, de studie van het zijn en het bestaan, wordt “niets” vaak gezien als de afwezigheid van iets, een volledig gebrek aan zijn of bestaan. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat er helemaal geen objecten, eigenschappen of substanties zijn. In de metafysica, die zich bezighoudt met de fundamentele aard van de werkelijkheid, kan “niets” verwijzen naar de afwezigheid van de fysieke wereld of de afwezigheid van de gehele werkelijkheid. Dit roept vragen op over het bestaan van het universum en waarom er iets is in plaats van niets. In de existentialistische filosofie, zoals we hebben gezien bij Sartre, wordt “niets” gebruikt om de leegte en betekenisloosheid te beschrijven die inherent kunnen zijn aan het menselijke bestaan. Sartre introduceert het concept van “het niets” ( le néant ) als een fundamenteel aspect van de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid. In de logica kan “niets” worden opgevat als een lege verzameling, een verzameling zonder elementen. In de theologie kan “niets” verwijzen naar de staat van de wereld vóór de schepping, een toestand van absolute leegte en afwezigheid van goddelijke schepping. Dit kan worden terug gezien in verschillende religieuze en filosofische tradities.
Natuurkundigen hebben het concept van “niets” op verschillende manieren onderzocht en beschreven, vaak in de context van het vacuüm en de kwantummechanica. In de klassieke natuurkunde wordt een vacuüm beschouwd als een ruimte zonder materie. Dit idee gaat terug tot de tijd van de oude Grieken, maar werd verder ontwikkeld door wetenschappers zoals Evangelista Torricelli, Blaise Pascal, Robert Boyle, Christiaan Huygens en Isaac Newton. Torricelli vulde een glazen buis, die aan één kant gesloten was, volledig met kwik en plaatste deze met de opening naar beneden in een reservoir met kwik. Hij ontdekte dat het kwikniveau in de buis daalde tot ongeveer 76 cm boven het niveau van het kwikreservoir, waarbij de ruimte boven de kwikkolom luchtledig bleef. Torricelli concludeerde dat de ruimte boven de kwikkolom een vacuüm was, wat betekende dat er geen lucht of andere materie aanwezig was. Dit was een belangrijke ontdekking, omdat het bewees dat een vacuüm, oftewel “niets”, daadwerkelijk kon bestaan. Zijn verdere experimenten toonde ook aan dat de luchtdruk verantwoordelijk was voor het in evenwicht houden van de kwikkolom, waarbij het principe van de barometer werd geboren. In de kwantummechanica is het concept van een vacuüm veel complexer. Een kwantumvacuüm is niet echt leeg, maar zit vol met fluctuaties van energie en virtuele deeltjes. Deze deeltjes verschijnen en verdwijnen voortdurend, zelfs in de afwezigheid van materie! Dit fenomeen wordt beschreven door de onzekerheidsrelatie van Heisenberg. Dit betekent dat het niet mogelijk is om tegelijkertijd de positie en de beweging van een deeltje te bepalen. De ontdekking van het Higgs-deeltje in 2012 heeft ons begrip van het vacuüm verder veranderd. Het Higgs-veld, dat overal in het universum aanwezig is, geeft massa aan deeltjes. Zonder dit veld zouden deeltjes geen massa hebben en zou er geen materie bestaan zoals wij die kennen. In de kosmologie wordt de opvatting van “niets” vaak besproken in relatie met de oerknal. Sommige theorieën suggereren dat het universum is ontstaan uit een kwantumfluctuatie in een vacuüm. Dit betekent dat zelfs “niets” in de zin van een lege ruimte vol potentieel zit voor het ontstaan van iets. De filosofische implicatie van dit gegeven roept de vraag op: “Waarom is er iets in plaats van niets?” Dit is een zowel filosofische als natuurkundige vraag. Verschillende wetenschappers, zoals Lawrence Krauss hebben geprobeerd deze vraag te beantwoorden door te laten zien hoe het universum kan ontstaan uit een kwantumvacuüm. Deze benaderingen laten zien dat het concept van “niets” in de natuurkunde veel complexer is dan het op het eerste gezicht lijkt. Het vacuüm is niet echt leeg, maar zit vol met energie en mogelijkheden.
Het concept “niets” blijft een diepgaand en mysterieus onderwerp in de filosofie, met veel verschillende interpretaties en benaderingen. Het roept fundamentele vragen op over de aard van bestaan, realiteit en menselijk begrip. Het niets kan eigenlijk alles zijn is misschien geen goede afsluitende zin. Maar je kunt wel zeggen dat het “niets” in potentie alles in zich draagt om “alles” te worden.
Het ongeboren niets
toen was er nog niets
slechts donkere leegte
zonder licht noch iets
in omvangrijke dichtheid
geen sterren, geen aarde
geen leven en tijd
eindeloze leegte
zonder honger of strijd
een vonk van bestaan
was nimmer uitgedoofd
uit een andere dimensie
werd het zaad geroofd
de knal kwam onverwacht
heeft licht terug gebracht
in een dans van het zijn
werd een kosmos verkracht
duistere dromen fluisteren
van verscholen potentie
als een pijl die miste
door verblindende intentie
nog ongeboren verwekt
in verwachting van vuur
ontploft en uitgestrekt
in de eerste tijdsduur
J.J.v.Verre.
Bronvermelding:
- Natuurkunde zoekt nog steeds naar het zuivere niets. Jens E. Matthiesen, 1-6-2019,Wetenschap in beeld, wibnet.nl.
- Evangelista Torricelli, Wikiped, nl.m.wikipedia.org.
- Augustinus van Hippo, kro-ncrv.nl
- Augustinus van Hippo-Theoloog en kerkvader. Jona Lendering, 28-8-2016, historiek.net.
- Augustinus- De filosofische kerkvader, filosofie.nl
- Immanuel Kant: een introductie. WILLAM, 2-1-2018, filosofischcafedordrecht.nl.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten