zaterdag 14 februari 2026

De lacaniaanse psychotherapie.

Jacques Lacan (1901-1981) was een Frans psychoanalyticus, die beroemd geworden is voor zijn zogenoemde terugkeer naar Freud en de uitspraak dat het onbewuste gestructureerd is als een taal.

Er zijn denkers die systemen bouwen, en er zijn denkers die scheuren openen, die het denken zelf ontwrichten, breken met vanzelfsprekendheden, bressen slaan in kennis, moraal of identiteit, en het denken opnieuw laten beginnen. Jacques Lacan behoort tot die laatste categorie. Hij is geen architect van de psyche, maar een cartograaf van breuken, echo’s en verdwijnpunten. Zijn psychoanalyse is geen leer, maar een landschap, of liever gezegd een veld van symbolen waarin het subject niet woont, maar telkens opnieuw verdwaalt.

In de wereld van Lacan is het onbewuste geen kelder vol instincten, maar een nachtelijke bibliotheek waar woorden mompelen zonder dat wij ze ooit volledig bezitten. Het onbewuste is gestructureerd als een taal, als een zin die klinkt als een sleutel, maar die tegelijk laat voelen dat de deur die ze opent nooit helemaal opengaat. Want wie in taal treedt, treedt een tekort binnen. De mens wordt niet geboren uit zichzelf, maar uit een roep, een naam, een plaats in het Symbolische die hem voorafgaat als een lege stoel. Hierbij wordt verwezen naar het kernidee in de lacaniaanse psychoanalyse, dat het subject niet ontstaat uit zichzelf, maar uit een vooraf bestaande structuur van taal, wetten en betekenissen. Die structuur noemt Lacan het Symbolische.

Zo ontstaat het subject: niet als een kern, maar als een snijlijn tussen drie registers. In het Imaginaire spiegelen we ons aan beelden die ons vormen en misleiden, zoals kinderen die hun contouren ontdekken in een rimpelend wateroppervlak. In het Symbolische worden we opgenomen in de orde van wetten, betekenissen en verwachtingen, als een web dat ons draagt en tegelijk bindt. En dan is er nog het Reële, dat wat zich niet laat vangen, daar waar taal hapert, een droom, een wond in de taal zelf. Het Reële is de plek waar de wereld even weigert betekenis te zijn.

Tussen deze drie orden beweegt het verlangen, dat nooit samenvalt met wat we denken te willen. Verlangen is geen honger die gestild kan worden, maar een opening die ons gaande houdt. Het richt zich op een object dat altijd net buiten bereik ligt, het objet petit a, dat kleine restje, dat glinsterende overschot dat ons doet spreken, zoeken, herhalen. Het is geen object in de gewone zin, maar een rest, een glimlicht, een drijvende kern van verlangen die nooit helemaal te grijpen is. Het is de vonk die nooit opbrandt, juist omdat ze niets verlicht.

En boven dit alles staat de Ander, niet een persoon, maar het veld van taal zelf. De Ander spreekt ons aan, benoemt ons, schrijft ons in. We antwoorden, maar nooit volledig. In elke zin die we uitspreken klinkt een echo van iets dat niet van ons is. Zo wordt het subject een tussenruimte, een resonantie, een trilling tussen signifianten.

De analytische praktijk die hieruit voortvloeit is geen zachte spiegeling, geen troostend gesprek. Ze is een ritueel van taal, een nauwkeurig luisteren naar de barsten in het spreken. De analyticus is geen gids, maar een plaats, eigenlijk de plaats van de Ander, waar het subject zijn eigen woorden hoort ontsporen. Soms duurt dat een uur, soms slechts een minuut. Tijd is hier geen klok, maar een snijlijn, want de sessie eindigt wanneer het woord valt dat iets openbreekt.

Lacans denken blijft voortleven omdat het weigert de mens te reduceren tot een mechanisme of een verhaal met een sluitend einde. Het herinnert ons eraan dat we wezens zijn van scheuren, van verlangen, van symbolische inschrijvingen die ons tegelijk dragen en ontregelen. In een wereld die hunkert naar duidelijkheid, biedt Lacan geen antwoorden, maar een dieper soort helderheid. Het heldere inzicht dat onze duisternis niet het tegendeel van betekenis is, maar haar bron.

Misschien is dat de essentie van de lacaniaanse psychoanalyse, dat we niet genezen door te begrijpen, maar door te leren luisteren naar dat wat in ons spreekt nog vóór wij spreken. Misschien begint genezing pas werkelijk daar, in dat stille grensgebied waar een woord nog niet geboren is, maar al als ademteug wordt voorbereid. Mogelijk is dat de plek waar wij, heel even, niet spreken om te begrijpen, maar ademen om gehoord te worden door dat wat ons al lang bij name kent.



J.J.v.Verre.



Geen opmerkingen: